Mindfuck in de donkere kamer van de Noor

Deze blog­post is deel 20 van 43 in de serie Een per­fec­te dag voor lite­ra­tuur

Pro­lo­gen staan vaak bui­ten de struc­tuur van de roman, of horen dat in ieder geval te staan, anders had­den ze immers gewoon hoofd­stuk 1 moe­ten heten.
[p.13, Schrij­ven is schrap­pen, Hans Hogen­kamp]

De pro­loog van Alles hier­voor, een fas­ci­ne­ren­de debuut­ro­man door Andreé Plat­teel vond ik ijzer­sterk. Het is mys­te­ri­eus, de span­ning wordt al flink opge­bouwd en het taal­ge­bruik is van een poë­ti­sche schoon­heid. Wie is die per­soon ‘de Noor’ waar­voor de ik-per­soon (Jona­than) hele­maal naar Mod­der­gat afreist, en die we later leren ken­nen als iemand die een over­wel­di­gen­de invloed op Jona­than zal heb­ben? De laat­ste ali­nea ein­digt ook nog eens met een cliff­han­ger van jewel­ste. Ik kon niet wach­ten om met­een ver­der te lezen en had spijt als haren op mijn hoofd dat ik er in begon­nen was bij het ont­bijt voor­dat ik naar mijn werk moest.

Pas enke­le dagen later had ik weer de gele­gen­heid om het boek op te pak­ken en er opnieuw in te begin­nen. Nog dat­zelf­de week­end las ik het ver­haal in één ruk uit.

Werd de belof­te van de pro­loog inge­lost? Naar mijn mening wel. Ik heb geno­ten van de eer­ste tot de laat­ste blad­zij­de. De bele­ve­nis­sen van hoofd­per­soon Jona­than waren voor mij boei­end genoeg in alle diver­si­teit om door te wil­len lezen, benieuwd als ik was hoe de ver­wik­ke­lin­gen pre­cies in elkaar sta­ken. De nei­ging om snel­ler te gaan lezen en daar­door stuk­ken over te slaan werd onder­drukt door de vele prach­ti­ge vol­zin­nen die er door het hele boek te vin­den zijn. Op zijn tijd staan er boven­dien rake obser­va­ties in die mij aan het den­ken zet­ten.

Uiterst tevre­den liet ik me vol­daan ach­ter­over zak­ken toen ik het boek uit had. Ook nog eens ruim een week voor­dat we er over zou­den gaan blog­gen. Tijd genoeg om het gele­ze­ne te laten bezin­ken zodat ik er een wel­over­wo­gen oor­deel over zou kun­nen vel­len.

Voor ik het wist waren we een week­end ver­der en zat ik op de vroe­ge zon­dag­och­tend na mijn weke­lijk­se hard­loop­rond­je van 10 kilo­me­ter uit te hij­gen in de tuin. Tij­dens het ren­nen had ik gepoogd om mezelf een beeld te vor­men van hoe ik mijn bespre­king zou aan­pak­ken. Er kwam niets. Ik kwam niet ver­der dan dat ik gegre­pen was door wat Jona­than had mee­ge­maakt en hoe dit bij­zon­der lezens­waar­dig door André Plat­teel was opge­schre­ven. Zou dit dan toch door die pro­loog komen? Ik her­in­ner­de me name­lijk dat Hogen­kamp er nog meer over geschre­ven had:

Het struc­tuur­vreem­de aspect van de pro­loog heeft vaak te maken met de chro­no­lo­gie; de pro­loog is bij­voor­beeld een flash-for­ward. De lezer wordt een blik gegund in de toe­komst, zon­der dat de afloop wordt weg­ge­ge­ven, met de ken­ne­lij­ke bedoe­ling van de auteur de span­ning alvast op te voe­ren. […] Op het eer­ste gezicht lijkt dit een effec­tie­ve metho­de om span­ning op te roe­pen en de aan­dacht van de lezer te van­gen en vast te hou­den. Maar het mecha­nis­me is door­zich­tig, en vaak een nog­al sleet­se en goed­ko­pe truc. [p.13]

Maar dit deed onrecht aan hoe ik het erva­ren had. De onder­huid­se span­ning die gedu­ren­de het gehe­le ver­haal voel­baar is moest ergens van­daan komen en ik kon er mijn vin­ger maar niet ach­ter krij­gen. Eén ding wist ik zeker, er zat meer ver­bor­gen tus­sen de ver­haal­lij­nen dan aan de opper­vlak­te dui­de­lijk was.

Ik besloot mijn her­sens voor­als­nog niet ver­der te pij­ni­gen en ging De Groe­ne Amster­dam­mer lezen. Num­mer 14 van jaar­gang 138 wel­te­ver­staan. Een oud­je dus, want geda­teerd 3 april 2014. Bin­nen de kort­ste keren was ik ver­diept in een arti­kel door Max Pam over de in zijn ogen mis­luk­te bio­gra­fie over Wil­lem-Fre­de­rik Her­mans door Wil­lem Otter­speer. Plots moest ik aan De don­ke­re kamer van Damokles den­ken. Op Wiki­pe­dia las ik:

In de lite­ra­tuur­kri­tiek is veel­vul­dig de vraag gesteld of het per­so­na­ge Dor­beck nu echt bestaat of alleen in de bele­vings­we­reld van Ose­woudt. Indien Dor­beck echt bestaat, is hij vol­gens som­mi­gen een col­la­bo­ra­teur in plaats van een ver­zets­held. Dit tot teleur­stel­ling van Her­mans, die door de ver­war­ring hier­over ging twij­fe­len aan de kwa­li­teit van zijn boek. Tegen­over Sas­kia de Vries stel­de hij over het bestaan van Dor­beck “Het bewijs dat hij geen hal­lu­ci­na­tie is, kan Ose­woudt niet met docu­men­ten leve­ren, maar de lezer van het boek, kan in elk geval zeker weten dat er wel dege­lijk een dub­bel­gan­ger van Ose­woudt bestaat of moet heb­ben bestaan. De NSB-zoon van de dro­gist heeft hem immers gezien […] ook al denkt deze dro­gis­ten­zoon dat het Ose­woudt was in ande­re kle­ren.”

Dat was het. Ik had gevon­den waar ik al die tijd onbe­wust aan had lopen den­ken: bestaat het per­so­na­ge de Noor nu echt of alleen in de bele­vings­we­reld van Jona­than?

En dat kwam al door de pro­loog. Want daar staat:

Hij omhelst me, kort, niet zake­lijk, mijn armen pas­sen niet meer om hem heen, zoals de laat­ste keer. Dan draait hij om, loopt van me weg, gaat ervan uit dat ik hem volg. Zijn gro­te lichaam werpt een scha­duw die pre­cies tus­sen ons ligt. Mijn voe­ten gaan ach­ter het ver­vorm­de hoofd aan, dat op de vloer beweegt.
Daar niet in terecht­ko­men, in dat hoofd.
[p.9]

Deze laat­ste zin is door mij vet gemaakt. Al met­een had het zich in mijn hoofd genes­teld, om daar niet meer weg te gaan. Wat staat hier eigen­lijk? Wil Jona­than voor­ko­men dat hij (opnieuw) terecht­komt in de ijze­ren logi­ca van de Noor waar­uit het moei­lijk ont­snap­pen is? Of hij wil voor­ko­men dat de Noor zich weer met hem gaat bemoei­en? De rest van de zon­dag pro­beer­de ik in gedach­ten na te gaan of het te recht­vaar­di­gen zou zijn dat de Noor (en zijn hele entou­ra­ge) puur en alleen in de fan­ta­sie van Jona­than zou kun­nen bestaan.

Inter­mez­zo: Er kan hele­maal niets tip­pen aan het lezen van een fysiek boek. De manier waar­op het zich gaat thuis­voe­len in je han­den. De typi­sche geur die de ver­schil­len­de papier­soor­ten met zich mee­bren­gen. Het feit dat een boek daad­wer­ke­lijk ouder wordt waar­door je er een (vriendschaps)band mee kunt opbou­wen. Dat alles en nog veel meer zal een ebook je nooit kun­nen bren­gen. Maar er is één ding wat ik ont­zet­tend mis bij een fysiek boek en dat is de door­zoek­baar­heid. Op de momen­ten dat je wan­ho­pig op zoek bent naar pas­sa­ges waar­van je zeker weet dat je ze ergens gele­zen hebt, is het gebruik van een ebook supe­ri­eur. Met de zoek­op­dracht en sta­tis­ti­sche hulp­mid­de­len is daad­wer­ke­lijk alles terug te vin­den of in kaart te bren­gen over de tekst die voor je ligt. 

Wat had ik graag een ebook-ver­sie van Alles hier­voor gehad om op een snel­le en effi­ci­ën­te wij­ze erach­ter te komen of mijn bewe­ring door de tekst onder­steund zou wor­den. Nu was ik gedwon­gen om het hele ver­haal van a tot z opnieuw gede­tail­leerd door te lezen. Maar daar­voor ont­brak me de tijd. Het eni­ge wat ik kon doen was vluch­tig door het boek scan­nen om te zien of ik aan­wij­zin­gen kon vin­den die ofwel als bewijs­last vóór of tegen kon­den plei­ten.

Voor­als­nog heb ik het idee dat het wel eens zou kun­nen klop­pen. In dit nieu­we licht bezien met de Noor als niet bestaan­de per­soon, valt het me op dat Jona­than aan de ene kant zijn ‘wer­ke­lij­ke leven’ heeft, waar zijn vader en Jonathan’s nieu­we vrien­din Bet­te zich bevin­den. Aan de ande­re kant is daar ‘de wereld’ waar de Noor in voor­komt. En dat alles wat zich daar afspeelt niet daad­wer­ke­lijk gebeurt.

In die geval­len waar de Noor in het ‘wer­ke­lij­ke leven’ van Jona­than dreigt te komen, wor­den de beschrij­vin­gen erg vaag. Lees bij­voor­beeld de pas­sa­ge waar Jona­than aan zijn buur­man vraagt of deze de Noor heeft gezien die tij­de­lijk in de flat van Jona­than heeft gelo­geerd tij­dens zijn ver­blijf in Ita­lië:

Ik bel de buur­man. Van­we­ge ande­re afspra­ken heeft niet hij maar zijn assis­tent de Noor bin­nen­ge­la­ten. ‘Nee, geen lang blond haar,’ zegt hij, ‘…kaal. Een gro­te kerel. Meer weet ik ook niet.’
Kaal?
[p.134]

Of, een stuk­je ver­der, waar Jona­than een gesprek heeft met een stam­gast uit het buurt­ca­fé die de Noor zou heb­ben ont­moet:

Zou hij het over de Noor heb­ben? Ik zie het niet voor me, de Noor die gedul­dig luis­tert naar de rek­ken­de Phi­lip. ‘Je bedoelt toch deze vriend?’ vraag ik en haal de pola­roid uit de bin­nen­zak van mijn jas.
‘Nee, een kale. Uit Noor­we­gen kwam hij.’
‘Kijk nog eens beter?’ Ik vraag het vrien­de­lijk, wil niet de recher­cheur uit­han­gen.
Phi­lip zet zijn bril op die net nog rus­te in het borst­zak­je van zijn over­hemd. ‘Nou, dan moet hij wel een meta­mor­fo­se heb­ben onder­gaan. Het is ook moei­lijk te zien zo, hij staat er wel heel vaag op met die boze kop.’
[p.143]

Ver­vol­gens wordt hun gesprek onder­bro­ken door de komst van nieu­we café­be­zoe­kers die luid­ruch­tig bij hen aan tafel gaan zit­ten. En zo gaat het op veel meer plaat­sen in het boek. Ner­gens (althans voor zover ik heb kun­nen vin­den) wordt echt expli­ciet dui­de­lijk dat de Noor door ande­ren gezien is. Behal­ve natuur­lijk door de per­so­na­ges die in de wereld bewe­gen waar de Noor zelf ook aan­we­zig is. Maar daar­over is de vol­gen­de ali­nea ken­mer­kend waar de Noor Jona­than heeft uit­ge­no­digd voor een eten­tje met alle­maal gas­ten die van­af het begin een rol heb­ben gespeeld in die ‘ande­re wereld’:

Maar in wat er van deze wereld gemaakt is, heb ik niets meer te zoe­ken. Wat ze wer­ke­lijk­heid noe­men, daar hoor ik allang niet meer en deze men­sen ook niet. En bin­nen­kort veel meer men­sen niet.’ Hij waai­er­de zijn hand uit naar alle ande­re gas­ten.
‘Hoe bedoel je?’ Ik keek om me heen. ‘Deze men­sen. Ken je die dan alle­maal?’
‘Alle gas­ten hier zijn in jouw huis geweest. Ik moest iets recht­trek­ken, vond het fat­soen­lijk ze alle­maal aan je voor te stel­len. Wat laat wel­licht, maar toch.’
Ik zat in het mid­den van een groep men­sen die bij me waren bin­nen­ge­dron­gen en dat nu weer deden.
[p.210]

Ik zat in het mid­den van een groep men­sen die bij me waren bin­nen­ge­dron­gen en dat nu weer deden.

Wat is echt en wat is niet echt?

Wat bete­kent dit alle­maal? Waar­om zou Jona­than een hele fan­ta­sie­we­reld rond­om de Noor optrek­ken? En in hoe­ver­re is hij zich hier­van bewust?

Dat is mis­schien nog wel het belang­rijk­ste. Wan­neer het dui­de­lijk is dat de Noor niet bestaat, wat wil dat dan zeg­gen?

Daar ben ik nog niet uit. Het eni­ge wat ik tot dus­ver­re heb kun­nen vin­den, is dat voor­al bij kin­de­ren die aan post-trau­ma­ti­sche stress lei­den soms gecon­sta­teerd wordt dat zij de bedrei­gen­de wer­ke­lijk­heid pro­be­ren te beheer­sen via ver­zon­nen per­so­na­ges. Of dit iets is wat André Plat­teel doel­be­wust heeft opge­voerd om te beschrij­ven hoe Jona­than zijn trau­ma­ti­sche jeugd­er­va­rin­gen pro­beert te ver­wer­ken, is mij nog niet dui­de­lijk. Ik ben bang (maar zie dit niet als straf) dat ik Alles hier­voor opnieuw moet gaat lezen om te veri­fi­ë­ren in hoe­ver­re mijn the­o­rie ergens op slaat.

Wordt daar­om ver­volgd en reac­ties met betrek­king tot mijn opge­wor­pen the­o­rie zijn zeer wel­kom.

alleshiervoor

De jon­ge Jona­than heeft zowel zijn moe­der als zijn broer­tje ver­lo­ren. Als hij later last krijgt van panie­k­aan­val­len, wordt hij gedwon­gen op zoek te gaan naar de oor­zaak van zijn angst. Na een zeven jaar duren­de afzon­de­ring reist hij af naar de wil­der­nis van Big Sur, Cali­for­nië. Daar ont­moet hij de Noor, een cha­ris­ma­ti­sche man die een gro­te invloed op hem uit­oe­fent. Als ze samen de Moja­ve­woes­tijn in trek­ken, is een con­fron­ta­tie angst­aan­ja­gend en onaf­wend­baar. Jona­than voelt zich na de kracht­me­ting niet ver­sla­gen, maar gelou­terd. Hij kan de rela­tie met zijn vader her­stel­len en aan zijn pril­le gevoe­lens voor Bet­te gehoor geven. Maar dan val­len er doden onder poli­ti­ci en onder­ne­mers en alle spo­ren lei­den naar de Noor. Jona­thans leven kan­telt voor de twee­de keer, hij kan zich niet opnieuw afslui­ten. Om de lief­de voor Bet­te tot bloei te laten komen, moet hij afre­ke­nen met de Noor.

Alles hier­voor
André Plat­teel
Uit­ge­ve­rij De Arbei­ders­pers
ISBN 9789029588904

~ ~ ~

Accep­ta­tie
Ken mijn klas­sie­kers

11 reacties op “Mindfuck in de donkere kamer van de Noor”

  1. Met open mond gele­zen, deze recen­sie.… mocht je jezelf afvra­gen waar­om ik jou volg op Twit­ter en je blog, dan is deze prach­ti­ge, intri­ge­ren­de recensie/ervaring het ant­woord daar­op Peter.
    Ik heb net de recen­sie van Johan­na beju­beld en ik doe het nu weer bij jou, dit lijkt mij een enorm mooi boek (ook voor­dat ik de recen­sies las stond het boven aan mijn nog te lezen boe­ken lijst­je), lite­ra­tuur zoals lite­ra­tuur bedoeld is en een boek dat je niet los­laat, waar je nog dagen of weken van in de ban kan zijn. Jouw recen­sie beves­tigt mijn ver­moe­den en daar ben ik blij om.

    Met open mond gele­zen omdat ik merk­te dat het boek jou niet los­liet en dat is pre­cies wat een goed boek hoort te doen, het hoort na te sud­de­ren, het hoort een ver­plet­te­ren­de indruk te maken, niets ergers als een boek lezen en daar­na nooit meer de drang te heb­ben om er over na te den­ken.

    Dank­je­wel voor deze prach­ti­ge recensie/ervaring!

    1. Dank je wel voor deze gewel­di­ge reac­tie!
      Hier kan ik weer tij­den op teren vwb het blog­gen 🙂
      En het is wat je schrijft, wan­neer een boek je zo blijft bezig hou­den nadat je het uit­ge­le­zen hebt, dan is er vaak toch iets bij­zon­ders met dat boek aan de hand waar­door het zich weet te onder­schei­den van ande­re boe­ken. Of het daar­door altijd lite­ra­tuur is, dat durf ik niet te zeg­gen. Maar dat is eigen­lijk ook niet zo belang­rijk. Ieder zoekt weer iets anders in het lezen, waar­door ook de reden waar­om iets je bij blijft na lezing kan ver­schil­len van per­soon tot per­soon.
      Ik ben benieuwd wat jij van dit spe­ci­fie­ke boek gaat vin­den. Laat maar weten wan­neer je het gele­zen hebt.

  2. Hehe, het moest er ooit van komen, maar ein­de­lijk is er dus een boek waar jij en ik anders over den­ken. Ik kom gewoon niet door die wol­li­ge taal­bar­ri­è­re heen. Als me dat wel zou luk­ken, zou ik mis­schien iets van jouw ver­haal her­ken­nen. Maar helaas.
    Ik vind het ove­ri­gens wel pret­tig om over jouw erva­ring te lezen, daar­door krijg ik toch het idee dat ik het later, onder ande­re omstan­dig­he­den, nog maar eens moet pro­be­ren.

    1. Ach, mis­schien den­ken we er alle­bei wel het­zelf­de over, maar ben jij kri­ti­scher. Zelf ben ik nog­al ‘easy to plea­se’ en geneigd om wat mak­ke­lij­ker over min­de­re zaken heen te stap­pen.
      Of je het later nog eens moet pro­be­ren is natuur­lijk hele­maal aan jou. Wat bij mij vaak het geval is, is dat bepaal­de boe­ken onder ande­re omstan­dig­he­den totaal anders door mij beleefd kun­nen wor­den. Dus wie weet gaat in dit geval ook wel voor jou op.

  3. Mooie recen­sie, Peter! Ik had al rede­lijk snel het idee dat de Noor mis­schien niet echt bestond omdat hij tel­kens maar weer opduikt, en tel­kens in een net iets ande­re vorm. Ik had dus het groot­ste deel van het boek nog voor de boeg, maar ook ik ben er niet ach­ter geko­men of de Noor nu wel of niet bestaat. Ik denk dat hij het ver­le­den van Jona­than sym­bo­li­seert waar hij nu ein­de­lijk tegen durft te vech­ten.

    1. Dank je. Ik heb zojuist je bespre­king gele­zen. Tja, mis­schien moe­ten we maar gewoon de stou­te schoe­nen aan­trek­ken en de auteur bena­de­ren om erach­ter te komen hoe we de rol van de Noor moe­ten plaat­sen. Hoe­wel ik denk dat hij een niets­zeg­gend ant­woord zal geven waar­door we als­nog zelf aan de slag moe­ten. Ik heb het ver­moe­den dat er best wel aan­kno­pings­pun­ten zijn, zoals bv de kunst­blogs bij aan­vang van elk hoofd­stuk die mis­schien een ver­bor­gen bood­schap bevat­ten, of maar iets te noe­men.

      1. Auteurs zijn vaak inder­daad niet bereid hun eigen werk te inter­pre­te­ren, en mis­schien is dat maar goed ook. Maar vra­gen kan natuur­lijk altijd.

        Ja, die kunst­blogs, daar kwam ik ook niet uit. Dat moet toch wel iets meer toe­voe­gen dan wat je daar ziet staan. Maar wat?

        1. Ik vind het uit­ein­de­lijk ook leu­ker om het zelf uit te zoe­ken. En of je nu goed of fout zit (en wie zou dat kun­nen bepa­len?), dat maakt ver­der niet veel uit, want het is jouw eigen insteek.
          En daar­om denk ik dus dat ik het nog eens een keer­tje op mijn gemak ga nale­zen met de insteek dat de Noor niet bestaat, om te zien hoe ik het dan ervaar en of het ook daad­wer­ke­lijk te ver­de­di­gen valt. En dan op zoek naar de dui­ding…

  4. Ik voeg mij bij de rij van reac­ties dat je weer een prach­ti­ge over­we­ging hebt geschre­ven. En ik ben zeer geïn­te­res­seerd in de invul­ling van jouw belof­te: “wordt ver­volgd”.

Reacties zijn gesloten.