Raadselachtig en onbegrijpelijk

Deze blog­post is deel 4 van 8 in de serie 2666 — Rober­to Bolaño

Vorige week heb ik gepoogd een samen­vat­ting te geven van het eerste deel (over de crit­i­ci) van 2666. Hoewel ik me heb proberen te beperken tot de hoofdli­j­nen, werd het toch een flinke lap tekst. Grote kans dat van­daag het­zelfde zal gebeuren wan­neer ik aan­dacht wil best­e­den aan mijn leeser­var­ing van de ruim 180 pagina’s waaruit dit eerste deel bestaat. Mocht het onver­hoopt qua lengte hele­maal uit de hand lopen dan hak ik de blog­post wel in meerdere stukken. Tenslotte is dit een serie.

Omdat ik de com­plete roman nog niet in zijn geheel gelezen heb (ik ben nu ‘as we blog’ op pag­i­na 554 mid­den in deel 4, het deel van de mis­daden) kan het niet anders dan dat ik de kans loop bepaalde zak­en over het hoofd te zien of ver­keerd te inter­pre­ten. Dat is het risi­co bij een tussen­ti­jdse eval­u­atie.

Wat ik verder zal tra­cht­en te ver­mi­j­den is ingaan op dat­gene wat in de vol­gende delen aan bod komt (in zoverre ik dat al heb gelezen). Met mijn aan­tekenin­gen bij de hand die ik gemaakt heb tij­dens het lezen van het eerste deel moet dat te doen zijn. Zo kri­jg ik miss­chien achter­af een beter beeld in hoev­erre ik de ver­schil­lende delen anders heb ervaren. Natu­urlijk was het in dat opzicht beter geweest wan­neer ik meteen mijn leeser­var­ing online had gezet, maar zo is het helaas niet gegaan.

Wel­nu, wat me het meest is bijge­bleven na lez­ing van het eerste deel is het vertelplezi­er dat van elke bladz­i­jde spat. Ik bedoel hier­mee dat op de vol­gepak­te bladz­i­j­den de zin­nen over elka­ar heen buite­len en dat je een waanzin­nige hoeveel­heid ver­halen voorgeschoteld kri­jgt. Niet alti­jd is het daar­door even span­nend of plot­gericht (inte­gen­deel zou ik juist willen zeggen), maar het lijkt alsof Bolaño zoveel te zeggen heeft dat hij niet kan kiezen en het aan de lez­er over­laat om de hoofd- van de bijza­k­en te schei­den. In mijn fan­tasie zie ik Bolaño aan zijn schri­jf­ma­chine gezeten als een bezetene bezig om alles wat in zijn hoofd zit aan het papi­er toe te vertrouwen.

Of dit laat­ste beeld klopt weet ik niet, wel dat ik gaan­deweg de over­tuig­ing kreeg dat Bolaño wel degelijk hoofd- van bijza­k­en weet te onder­schei­den. Al tij­dens het lezen en ook toen ik lat­er de eerste review op The Mookse and the Gripes gelezen had, kreeg ik het gevoel dat er meerdere (vele?) lagen zijn waarin het ver­haal zich afspeelt.1 Het prob­leem is alleen dat je geen idee hebt wat nu pre­cies het ver­haal is dat Bolaño ons wil vertellen. Is de zoek­tocht naar de mys­terieuze schri­jver Archim­bol­di de kern waar alles om draait? Of ver­schuift de aan­dacht naar de vele onopge­helderde moor­den in San­ta Tere­sa? En wat te denken van het almaar veran­derende per­spec­tief in de relaties tussen de vier crit­i­ci? Zullen we in de vol­gende delen meer te horen kri­j­gen over Liz Nor­ton en Piero Mori­ni en hun geza­men­lijke belang­stelling voor de kun­ste­naar Edwin Johns?

Kor­tom, het kan vele kan­ten uit want ver­haal­li­j­nen genoeg. (Inmid­dels heb ik wat meer kijk op welke kant het uit­gaat, maar die ken­nis laat ik hier voor­lop­ig zoals beloofd achter­wege.) Daarom ga ik nu een aan­tal thema’s ver­melden die me opgevallen zijn in dit eerste deel. Lat­er zal blijken of ik daad­w­erke­lijk enkele rode draden te pakken heb en in welke mate ze een beteke­nis hebben bin­nen het gehele ver­haal.

De crit­i­ci zijn op zoek naar de schri­jver Archim­bol­di. Slechts weini­gen hebben deze man ooit ont­moet en het bli­jft gis­sen naar hoe hij eruit ziet. Wat her­haaldelijk terug komt is dat hij groot schi­jnt te zijn. Enorm groot:

Hoe ziet Archim­bol­di eruit?’ vroeg Espinoza.
‘Hij is heel lang,’ zei mevrouw Bubis, ‘heel lang, een man van waar­lijk groot pos­tu­ur. Als hij in deze tijd was geboren, zou hij waarschi­jn­lijk bas­ket­bal hebben gespeeld.’
[p.41, 2666]

Hoewel deze uit­spraak onmid­del­lijk gevol­gd wordt door een over­peinz­ing van Espinoza dat de manier waarop mevrouw Bubis dit zegt net zo goed zou kun­nen beteke­nen dat Archim­bol­di een dwerg had kun­nen zijn, doet hier niets aan af. Er zijn vol­doende uitin­gen te vin­den in het eerste deel door ver­schil­lende per­so­n­en gebracht dat Archim­bol­di groot is. Het geeft wel aan hoe Bolańo con­tinu bezig is de lez­er op het ver­keerde been te zetten door veel infor­matie te lat­en vergezellen door desin­for­matie.

Regel­matig wordt er ver­wezen naar de Grieken.2 Vee­lal naar de Griekse mytholo­gie, maar ook naar het huidi­ge Grieken­land, zoals wan­neer Pel­leti­er een van zijn dromen beschri­jft:

… ik droomde dat ik op vakantie ging naar de Griekse eilan­den en daar een boot huurde en een jonget­je leerde ken­nen dat de hele dag aan het duiken was.’
[…]
‘Het vreemd­ste van de droom,’ zei Pel­leti­er, ‘is dat het water leefde.’
[p.189, 2666]

Wat ons op het vol­gende the­ma brengt, dat van de vele dromen en nacht­mer­ries. Som­mige wor­den erg uitvo­erig beschreven, andere juist weer kort en bondig. Het is al moeil­ijk in te schat­ten wat ze voor de per­soon beteke­nen die ze droomt, laat staan wat hun rol in het boek is. Zijn het vooraankondigin­gen van naderend onheil? Ze wor­den tenslotte niet voor niets ingezet. Toch?

… en zag hij uit de diepte van de metaalk­leurige zee de resten van een stand­beeld opri­jzen. Een vormeloze, reusachtige klomp steen, ver­weerd door de tijd en het water, maar waarin over­duidelijk een hand, de pols en een deel van de onder­arm te herken­nen viel. En dat stand­beeld ver­rees uit de zee en ver­hief zich boven het strand en het was afschrik­wekkend en tegelijk beeld­schoon.
[p.101, 2666]

Het sluit aan bij een ander the­ma, een­t­je dat me niet meteen was opgevallen, maar bij her­lez­ing van mijn aan­tekenin­gen en ver­schil­lende pas­sages steeds duidelijk­er werd: deze onder­toon van naderend onheil, maar ook van onder­druk­te agressie en kwaadaardigheid. Nog voor­dat Nor­ton, Pel­leti­er en Espinoza afreizen naar Mex­i­co zijn er al enkele voor­beelden van te vin­den, maar zek­er in San­ta Tere­sa komt het nadrukke­lijk­er naar de opper­vlak­te. In dit ver­band zijn er ook nog wat onheil­spel­lende ver­ban­den tussen seks en agressie aan te wijzen. Benieuwd waar dat naar toe gaat in de vol­gende delen.

Iets anders wat ik hier nog wil ver­melden zijn de vele opsom­min­gen en niet ter zake doende uitwei­din­gen waar Bolaño zich in ver­li­est. Ook hier is de vraag of ze daad­w­erke­lijk van belang zijn of dat het slechts dwaal­sporen zijn ter ver­war­ring voor de lez­er. Hilar­isch vond ik de beschri­jv­ing van een tele­foonge­sprek tussen Espinoza en Pel­leti­er:

De eerste twintig minuten had­den een tragis­che onder­toon, waar­bij tien keer het woord lot viel en het woord vriend­schap vier­en­twintig keer. De naam van Liz Nor­ton werd vijftig keer uit­ge­spro­ken, negen daar­van tev­ergeefs. Het woord Par­i­js kwam op zeven momenten voor. Madrid, op acht. Het woord liefde sprak­en ze twee keer uit, ieder één keer. Het woord ver­schrikking werd zes keer uit­ge­spro­ken en het woord geluk één keer (door Espinoza). Het woord besliss­ing werd in twaalf gevallen gezegd. Het woord solip­sisme in zeven. Het woord eufemisme in tien. Het woord cat­e­gorie, in enkel- en meer­voud, in negen. Het woord struc­tural­isme in één geval (Pel­leti­er). De term Noord-Amerikaanse lit­er­atu­ur in drie gevallen. De woor­den eten­t­je en gegeten en ont­bi­jt en brood­je in negen­tien. De woor­den ogen en han­den en haar in veer­tien gevallen. Daar­na ver­liep het gesprek wat vlot­ter.
[p.55–56, 2666]

Daar­na ver­liep het gesprek wat vlot­ter! Vergeef me, maar dat vind ik dus echt een geweldige zin na deze ontzettend droogkomis­che en orig­inele weer­gave van een tele­foonge­sprek. Echter opnieuw, wat het te beteke­nen heeft is mij een raad­sel. Als het al iets te beteke­nen heeft.

Tijd om af te ron­den. Deze blog­post is alweer veel te lang gewor­den en ik ben nog niet eens aan de beant­wo­ord­ing van enkele vra­gen toegekomen die ver­meld staan op de site van The Mookse and the Gripes. Daar kom ik een vol­gende keer op terug.

Waar ik mee wil af sluiten zijn twee citat­en die voor mij ken­merk­end zijn voor de geheimzin­nigheid en de raad­se­len waarin Bolaño zijn vertelling ver­pakt. Je kunt ze lezen (wat ik dus doe) op een meta-niveau over het ver­mo­gen van de lez­er om het werk (2666?) van een schri­jver (Bolaño?) te begri­jpen, hoewel ze in het ver­haal op totaal andere zak­en betrekking hebben. Tegelijk­er­ti­jd zou je ze kun­nen opvat­ten als com­men­taar op de vele onopge­helderde moor­den in San­ta Tere­sa. Je merkt, ik ben gegrepen door deze ambitieuze roman die slechts zeer mond­jes­maat zijn geheimen pri­js­geeft.

Citaat 1:

Maar ze vroeg zich af (en vroeg het ook ter­loops aan hen) in hoev­erre iemand het werk van een ander kan ken­nen.
[p.39, 2666]

Citaat 2:

Toen hij naast hem ging zit­ten, keek Pel­leti­er op van het boek en zei dat er din­gen waren die hij nog alti­jd niet begreep en waarschi­jn­lijk nooit zou begri­jpen.
[p.181, 2666]

Iemand al zin om ook 2666 te gaan lezen?

~ ~ ~

UITGELICHT want SHARING is CARING

It’s Time To Fall Back In Love With Prince — door Rob Harvil­la via The Con­course

So Prince put out two sneaky-great new albums last week, and it’s under­stand­able that your impulse was to ignore or at least wild­ly under­es­ti­mate them, but yeah, don’t.

~ ~ ~

Series Nav­i­ga­tion« Het deel van de crit­i­ciHet deel van Amal­fi­tano »

  1. Klik hier voor de review van het eerste deel op the Mookse and the Gripes. 

  2. En nu we het toch over de Grieken hebben…”, p.60, 2666 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Tags

(all tags)

Tweets