It’s not the motorcycle maintenance

[p.24–27]

We waren geble­ven in de staat Min­ne­so­ta. Althans voor wat het boek Zen and the Art of Motor­cy­cle Main­tenan­ce betreft. Ikzelf ben alweer een tijd­je terug in NL na mijn week­je ver­blijf in de VS. Foto’s die ik gemaakt heb in Eden Prai­rie en (wij­de) omge­ving kun je hier en hier en hier vinden.

Het valt de ik-per­soon op hoe­veel weer­stand zijn goe­de vrien­den John en Syl­via tonen wan­neer het onder­werp van motor­on­der­houd ter spra­ke komt. Voor de ik-per­soon is het niet meer dan nor­maal dat je je enigs­zins ver­diept hebt in hoe een motor in elkaar zit en wat je zelf kunt doen indien je onder­weg tech­ni­sche pro­ble­men krijgt. Zeker tij­dens lan­ge­re toch­ten in dun­be­volk­te stre­ken kan het je ont­zet­tend goed van pas komen. Hij kan er maar niet over uit waar­om dit onder­werp zo’n taboe lijkt te zijn voor hen, tot­dat het kwart­je valt en hij beseft dat het te maken heeft met hun beeld van tech­niek in het algemeen:

It’s not the motor­cy­cle main­tenan­ce, not the fau­cet. It’s all of tech­no­lo­gy they can’t take. And then all sorts of things star­ted tum­bling into pla­ce and I knew that was it.
[p.24, Zen]

In de tijd toen ik Zen voor de eer­ste keer las was ik een rede­lijk fana­tiek wiel­ren­ner (naast voet­bal­len en wind­sur­fen). Ik vond het heer­lijk om in m’n een­tje of met een klein groep­je lan­ge fiets­toch­ten te maken naar bij­voor­beeld Lim­burg of Bel­gië. De bidon gevuld met kou­de thee en een rug­zak­je vol etens­waar was alles wat ik nodig had. Dacht ik. Tot­dat ik onder­weg stil kwam te staan van­we­ge een lek­ke band, los­ge­lo­pen ket­ting of gebro­ken ver­snel­lings- dan wel rem­ka­bel. Op zo’n moment ont­dek­te ik tot mijn spijt dat ik de basis­ge­reed­schap­pen thuis had laten lig­gen. Of erger, dat ik niet wist hoe ik een en ander zou moe­ten gebrui­ken. Was ik alleen, dan had ik een groot pro­bleem. Maar met een stel ande­ren erbij werd het alleen maar erger. Want die begon­nen zich er natuur­lijk met­een mee te bemoei­en en had­den aller­lei tips. Hun tech­nisch jar­gon ging ech­ter vol­ko­men langs me heen.

Ik kon me dus wel vin­den in de hou­ding van John en Sylvia:

To get away from tech­no­lo­gy out into the coun­try in the fresh air and suns­hi­ne is why they are on the motor­cy­cle in the first pla­ce. For me to bring it back to them just at the point and pla­ce whe­re they think they have final­ly esca­ped it just frosts both of them, tremendously.
[p.25, Zen]

Voor hen is motor­rij­den een vorm van ont­snap­pen aan het alle­daag­se leven waar de tech­niek alom­te­gen­woor­dig is. De ik-per­soon is het niet eens met hun stand­punt ten opzich­te van motor­on­der­houd, maar hij geeft aan sym­pa­thie te kun­nen opbren­gen voor hun ambi­va­len­te hou­ding voor waar het tech­niek in het alge­meen betreft. Hij vindt het alleen niet verstandig:

I just think that their flight from and hat­red of tech­no­lo­gy is self-defea­ting. The Bud­dha, the God­head, resi­des qui­te as com­for­ta­bly in the cir­cuits of a digi­tal com­pu­ter or the gears of a cycle trans­mis­si­on as he does at the top of a moun­tain or in the petals of a flo­wer. To think other­wi­se is to demean the Bud­dha — which is to demean one­self. That is what I want to talk about in this Chautauqau.
[p.27, Zen]

Het is niet dat ik het me zo kan her­in­ne­ren, maar ik kan me nu wel voor­stel­len dat ik bij deze pas­sa­ge moet heb­ben geaar­zeld. Mis­schien bij een eer­ste lezing wel afge­haakt. Ik was niet zo van ‘the Bud­dha’ of van ‘the God­head’. Die deden mij zacht­jes uit­ge­drukt de nek­ha­ren recht over­eind doen staan. Maar ik weet ook dat ik op een gege­ven moment ver­der ben gaan lezen. Voor­na­me­lijk door de pret­ti­ge manier van schrijven/vertellen die Robert Pir­sig heeft. Ik was bereid om zijn Chau­tau­qua aan te horen ondanks de mij onwel­ge­val­li­ge ver­wij­zin­gen naar reli­gie. En daar heb ik nooit spijt van gehad.

~ ~ ~