Geesten

Deze blog­post is deel 7 van 19 in de serie Zen — Robert Pir­sig

geesten
[p.37–40]

In de auto vertelde mijn oud­ste klein­zoon hoe zijn pya­ma par­ty een paar dagen eerder was geweest. In het kort kwam het erop neer dat ze de hele nacht niet had­den ges­lapen. Ik vond dat nogal over­dreven maar in de achteruitk­ijk­spiegel kon ik zien hoe hij zijn ogen wijd had openges­perd.

Iets wat ze dus de hele nacht had­den gedaan. De weken vooraf­gaande aan het feestje had hij iedere nacht geoe­fend.

Nieuws­gierig gewor­den wilde ik van hem weten hoe ze dan verder de hele nacht had­den doorge­bracht. Voor­namelijk tele­visie kijken en chips eten. Tja, dat gaat een stuk makke­lijk­er met je ogen open, zo gaf ik toe. Had­den ze elka­ar ook nog griezelige ver­halen verteld, over spo­ken enzo?

Nog steeds strak voor zich uitk­ijk­end knik­te hij van nee. Hoe­zo, ze had­den toch de tele­visie aan staan?

Ik vertelde hoe wij vroeger, in een tijd dat er maar enkele gezin­nen in onze buurt een tele­visi­etoes­tel had­den en dat zo’n appa­raat zek­er niet in de slaap­kamer van de kinderen stond, elka­ar de stu­ipen op het lijf joe­gen met lange ver­halen vol geesten en demo­nen. Soms zo eng dat degene die het vertelde zelf van schrik niet verder durfde.

Echt niet. Echt wel.

Wat voor ver­halen dan?

Daar had hij me. Hoe ik ook mijn best deed, er wilde me niets te bin­nen schi­eten. Gelukkig waren we bij­na thuis, dus ik heb moeten beloven dat ik hem bin­nenko­rt (31 okto­ber?) een heel span­nend ver­haal ga vertellen omdat hij ner­gens bang voor is en al die tijd ook nog eens zijn ogen zal open­houden. En in het donker natu­urlijk.

In Zen and the Art of Motor­cy­cle Main­te­nance probeert het groep­je motor­ri­jders de storm voor te bli­jven en ze jakkeren op hoge snel­heid over de landwe­gen op weg naar een dorp of stad met een fat­soen­lijk hotel. Onder­weg herkent de ik-per­soon plot­sel­ing tussen de blik­sem­flit­sen door een stuk van de omgev­ing. Alsof hij er ooit eerder al eens is geweest. Het brengt hem in een soort van shock­toe­s­tand.

Lat­er, wan­neer ze een hotel hebben gevon­den, vraagt Sylvia (de vrouw van het bevriende stel) of hij soms een geest heeft gezien, zo wit in zijn gezich is hij nog steeds. Nadat ze zich geïn­stalleerd hebben gaan ze op zoek naar een restau­rant. Weer terug in het hotel besluiten ze nog wat te drinken in de hotel­bar. Chris (de zoon van de ik-per­soon) vraagt of ze elka­ar beurtel­ings span­nende ver­halen kun­nen vertellen. Met geesten. Net zoals hij gewend is op zomerkamp. Ent­hou­si­ast begint hij zelf als eerste. De ik-per­soon herkent er een paar die al verteld wer­den toen hij nog jong was, maar weet er geen enkele te herin­neren wan­neer het zijn beurt is.

Zelf pijnig ik ook nog steeds mijn hersens maar er schi­et me niets te bin­nen. Miss­chien moet ik hem op 31 okto­ber maar eens gaan vertellen over dat ongeluk wat mij meer dan 25 jaar gele­den is overkomen in het zuiden van de VS.

Het was tij­dens een 4-weekse vakantie die ik onder­nam met twee goede studievrien­den. In een gehu­urde Buick trokken we van camp­ing naar camp­ing…

~ ~ ~

Series Nav­i­ga­tion« What the hell has gone wrong in this twen­ti­eth cen­tu­ryGoing round and round and round and round »
  • Vol­gens mij is de boek­drukkun­st uit­gevon­den omdat we het alle­maal niet in ons eigen geheugen op kun­nen slaan. Een mooie bijkom­stigheid is dat daarmee ook vele anderen van die ver­halen kun­nen geni­eten, ook als we er niet bij zijn om ze te vertellen.
    Oftewel ik heb ook zo’n geheugen die me vertelt dat er veel ver­halen zijn maar niet wil pri­js­geven welke.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Tags

(all tags)

Tweets