De waarheid of de werkelijkheid? Maakt het uit?

Deze blog­post is deel 40 van 43 in de serie Een per­fecte dag voor lit­er­atu­ur

blueeyes

Soms kom ik haar nog wel eens tegen. De vrouw van mijn dromen. De vrouw ìn mijn dromen. Ze is in geen enkel opzicht anders dan toen ik haar voor de eerste, en enige keer zag zoals ik haar nog nooit had gezien. Lang gele­den. Zo lang gele­den dat ik me elke keer wan­neer ik haar weer zie realiseer hoeveel tijd we samen had­den kun­nen door­bren­gen.

Ik kan niet anders dan naar haar kijken. Net als toen. Uit het niets was ze naar me toe gekomen. Ze vond me leuk. Vroeg of ik de vol­gende dag met haar wilde afspreken om samen naar een feest te gaan. En liep toen weer terug naar een groep­je vriendin­nen waar ze zich voor heel even uit had los­ge­maakt. De rest van de avond maak­te ze regel­matig oog­con­tact met me maar elka­ar spreken deden we niet meer.

De vol­gende dag liep alles anders dan gep­land en rond het afge­spro­ken tijd­stip bevond ik me in half­dronken toe­s­tand op een ander feest. In een ander dorp. Met een ander meis­je.

Ik was haar niet ver­geten. Maar probeerde het wel. Zek­er toen ik dagen lat­er via via hoorde hoe lang ze op me had staan wacht­en. In de over­tuig­ing dat ik alsnog zou komen. Nog weer lat­er werd me verteld hoe ver­dri­etig ze was dat ik hele­maal niets meer van me had lat­en horen. Het had een ver­lam­mend effect op mij. Ik durfde haar niet meer onder ogen te komen. Tegen mijn vrien­den deed ik er luchtig over. Hoe kon een meis­je zo over­stu­ur zijn ter­wi­jl we slechts enkele woor­den met elka­ar gewis­seld had­den? Elka­ar niet eens aanger­aakt had­den.

Hoo­gu­it had­den we elka­ar een paar keer aangekeken die avond.

Wat had dat nu te beteke­nen? Zei ik sto­er tegen mijn vrien­den. En ging over tot de orde van de dag.

Onder­tussen vervloek­te ik mezelf om mijn lafheid.

Ze had blauwe ogen. Opval­lend groot. Als ze naar me keek deed ze dat aan­dachtig. Niet stiekem. Ik voelde haar blik op mij gericht nog vooraleer ik haar zelf aan­keek. Dat korte moment waarin ze naar me toe was gekomen had ik maar de helft van wat ze zei opges­la­gen. In mijn hele lev­en was ik niet eerder zo in iemands ogen ver­loren ger­aakt. Het leek alsof ze een open­ing waren naar een andere wereld. Een betere wereld. Een­t­je waarin we gelukkig kon­den zijn. Maar ik voelde ook de ver­ant­wo­ordelijkheid die dat met zich mee­bracht. En daar­door werd die wereld te groot voor mij. Het over­weldigde me en ik werd bang. Niet voor haar. Eerder dat ik haar niet kon geven waar ze naar op zoek was.

Daarom probeerde ik haar te ver­geten. Omdat ik haar in de steek had gelat­en.

De hoofd­per­soon in de roman Als de win­ter voor­bij is van Thomas Ver­bogt beschri­jft hoe hij op een gegeven moment in zijn lev­en is gaan dromen over een vrouw, genaamd Lin Mitchell:

Zij is er alleen, ik ben nooit bij haar. Nie­mand is bij haar. Dát is de droom: dat nie­mand bij haar is.
[p.57]

Herken­baar. Dacht ik. En voelde hoe mijn maag verkrampte.

Pijn­lijk herken­baar. Zoals heel veel meer in dit prachtige boek mij aanspreekt. Niet dat mij soort­gelijke nood­lot­tige toe­va­lighe­den met ver­strekkende gevol­gen zijn overkomen. Dat zek­er niet. Nee, de herken­baarheid zit ‘m in het onver­mo­gen van de hoofd­per­soon om op een nor­male manier met andere mensen om te gaan. Hoe hij bijvoor­beeld tij­dens een gesprek plots niet meer weet wat te zeggen. Een onzek­er­heid die alti­jd sluimerend aan­wezig is en hem aan alles doet twi­jfe­len:

Ik weet dan niet hoe ik bij mensen moet horen. Daar wil ik niet te lang over nadenken, want dan is het net alsof het lev­en om me heen weg­valt, alsof er nooit een ver­band was tussen dat lev­en en mij, alsof het vertrouwen dat ik daarin moet hebben, lach­wekkend abstract is.
[p.44]

Ik heb geleerd mijzelf te con­formeren aan het lev­en van alledag. Ik heb een gezin, een baan en hobby’s. Ik leid een over­we­gend gelukkig bestaan.

Maar af en toe weet ik het even niet meer. Hoe het moet. Lev­en. Op zulke momenten ben ik het lief­st alleen. Soms komt zij dan in mijn gedacht­en. In het beste geval als sym­bool voor een gemiste kans, meestal echter vervult de aan­blik van haar ogen waar alle hoop verd­we­nen is mij met schuld en schaamte.

Een tijd­lang ben ik er vanu­it gegaan dat zij nooit bestaan heeft. Dat ik haar heb ver­zon­nen. Dat maakt het makke­lijk­er. Maar ik heb haar niet ver­zon­nen. Dus houd ik mijzelf voor dat zij nu een vol­wassen vrouw is met een gezin, baan en hobby’s. En gelukkig met haar lev­en.

Ik heb geen enkele reden om aan te nemen dat ik een gat in haar hart heb ges­la­gen.

Maar in mijn droom is nie­mand bij haar.

Werke­lijkheid of waarheid? Dat is de vraag die regel­matig terugkomt in Als de win­ter voor­bij is. Ik weet niet goed wat het ver­schil is. En of het uit­maakt. De werke­lijkheid is hard. De harde waarheid is dat ik moeite heb met de werke­lijkheid. Het is fijn te lezen dat ik daarin niet de enige ben. De poëtis­che taal van Thomas Ver­bogt brengt me troost en geeft kleur aan de kille realiteit. Het ver­haal van Thomas is niet het mijne. Maar zijn ver­haal maakt wel dat ik het mijne weer wat beter leer begri­jpen. Wat meer kan accepteren dat het is zoals het is.

Goeie lit­er­atu­ur is voor mij wan­neer een ver­haal niet meteen alles pri­js­geeft. Wan­neer zin­nen zow­el mooi zijn van­wege hun uiter­lijke schoonheid alsmede hun inner­lijke zeg­gingskracht. Dat een alin­ea lijkt uit te dijen omdat er veel meer verteld wordt dan wat er met het blote oog te zien valt.

Waar­door je als het ware met de rem erop de tekst moet lezen. Zodat het ver­haal de kans kri­jgt zich te ontvouwen en alle ver­bor­gen pracht gelei­delijk aan tevoorschi­jnt komt. Thomas Ver­bogt heeft met Als de win­ter voor­bij is wat mij betre­ft een lit­erair hoog­stand­je geleverd.

Als de winter voorbij is-Thomas Verbogt LR

Het kun­nen maar een paar sec­on­den zijn die je lev­en uitein­delijk bepalen. Iemand aankijken of juist niet. Ineens gekust wor­den op een zom­erse dag. Meer hoeft het niet te zijn. Zo ver­gaat het de hoofd­per­soon van deze roman, die jaren leeft met de herin­ner­ing aan zo’n moment. Maar de herin­ner­ing alleen is niet genoeg.
Als de win­ter voor­bij is is een ver­haal over schuld en schaamte, en het besef dat we alle­maal voor­bi­j­gangers zijn die elka­ar even aankijken of aan­rak­en. Een ver­haal over de vraag waar het nu uitein­delijk om gaat: om de waarheid of de werke­lijkheid. Als de win­ter voor­bij is — het is een belofte, het is de hoop op iets nieuws.

Als de win­ter voor­bij is
Thomas Ver­bogt
Uit­gev­er Nieuw Ams­ter­dam
ISBN 9789046819326

~ ~ ~

Series Nav­i­ga­tion« Wat we (denken te) zien (en te horen, en te voe­len, en te ruiken, en te denken) als we lezenHoe leest zij? »

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Tags

(all tags)

Tweets