Zwermgedrag

bijen

In de nacht van don­der­dag op vrij­dag liep ik met onbe­kend gezel­schap over een even onbe­ken­de hei­de. Er was geen vuil­tje aan de lucht en de zon ver­sprei­de een aan­ge­na­me warm­te. Iemand vroeg of ik zin had om een spe­ci­aal aan­ge­leg­de die­re­n­over­steek­plaats te gaan bekij­ken. Vrien­de­lijk sloeg ik het aan­bod af. De rest ging mee.
Er was nog steeds geen vuil­tje aan de lucht.
Bij een boom niet ver van ons ver­wij­derd zag ik een zwerm bij­en. Het waren er best veel. Ik aar­zel­de om dich­ter­bij te gaan kij­ken. Iemand gooi­de een stok rich­ting de boom. Plots stroom­de er een gigan­ti­sche wolk bij­en van­uit een hol­te uit de boom. Zou ik pro­be­ren een foto te maken? dacht ik ter­wijl mijn lichaam zich al in bewe­ging zet­te om ergens in de buurt te kun­nen schui­len. Toen de bij­en daad­wer­ke­lijk mijn rich­ting in kwa­men ren­de ik naar een dicht­bij gepar­keer­de auto. Die bleek geslo­ten te zijn dus kroop ik erach­ter, maak­te me zo klein moge­lijk en hoop­te dat de bij­en aan me voor­bij zou­den gaan.
Geze­ten met mijn rug tegen de ach­ter­bum­per van de auto joe­gen de bij­en aan alle kan­ten langs me heen op weg naar onbe­ken­de bestem­ming. Ze vlo­gen zo dicht op elkaar dat het leek of er een zons­ver­duis­te­ring plaats vond. Het gezoem was oor­ver­do­vend. Ik had mede­lij­den met het ver­meen­de slacht­of­fer dat ze op het oog had­den. Voor­lo­pig waan­de ik me vei­lig.
En in mijn droom moest ik den­ken aan een arti­kel dat ik gele­zen had. Deze avond zocht ik het op.

Het pro­bleem is Twit­ter. Het is ont­wor­pen om din­gen viraal te laten gaan, door tren­ding topics bij­voor­beeld. En dat gebeurt dan op con­for­mis­ti­sche wij­ze: ieder­een is het ergens over eens. En als iets afwijkt, dan wordt die machi­ne woest. De balans moet wor­den her­steld. Veel men­sen val­len die per­soon dan aan en ieder­een feli­ci­teert hen, waar­door het weer ande­ren opvalt en ver­der groeit.
[John Ron­son in ‘Twit­ter werkt digi­ta­le hek­sen­jach­ten in de hand’, NOS]

Ik gebruik twit­ter nog maar zel­den. De keren dat ik er een kijk­je neem wordt mijn lees­ple­zier regel­ma­tig ver­gald door vele upda­tes in lijn met het hier­bo­ven aan­ge­haal­de citaat. Mis­schien dat het te maken heeft met de per­so­nen die ik volg of het is inder­daad de gewoon­ste zaak van de vir­tu­e­le wereld gewor­den om mas­saal het ene te ver­oor­de­len en het ande­re op te heme­len. Wat de reden ook is, het zorgt er in ieder geval voor dat ik al snel twit­ter weer ver­laat.
Wan­neer ik op zoek ga naar nieuws­be­rich­ten over twit­ter lees ik dat het niet zo goed gaat met dit plat­form en dat er ver­schei­de­ne ver­an­de­rin­gen in gang gezet zijn of wor­den. Adver­ten­ties zijn al sche­ring en inslag (die ook debet zijn aan het ver­pes­ten van mijn humeur) en bin­nen­kort stapt men af van de chro­no­lo­gi­sche tijd­lijn en zelfs de restric­tie van 140 tekens schijnt niet meer hei­lig te zijn. Dat alles maakt dat het twit­ter van 2016 niet meer het twit­ter is uit de tijd dat ik er in 2009 ken­nis mee maak­te.
Mis­schien is het tijd in mijn stre­ven naar een zin­vol­le­re vrije­tijds­be­ste­ding om nu maar eens defi­ni­tief afscheid te nemen en me voor de ver­an­de­ring wat meer te con­cen­tre­ren op this. waar ik stee­vast lezens­waar­di­ge arti­ke­len krijg voor­ge­scho­teld die op twit­ter tegen­woor­dig nog maar slechts met veel moei­te te vin­den zijn. Ook aan facebook ga ik wat min­der tijd beste­den.

Het zwar­te reac­tie­gat van blogs­pot
Ver­stand ver­lo­ren, ver­haal gebo­ren