Verstand verloren, verhaal geboren

Deze blog­post is deel 2 van 31 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel — Eer­ste hoofd­stuk:
Het­welk han­delt over de aard en de aan­ge­le­gen­he­den van de ver­maar­de rid­der Don Qui­chot van de Man­cha

Vroe­ger las ik alles wat los en vast zat. Boe­ken en strip­ver­ha­len natuur­lijk, maar ook de krant en aller­lei tijd­schrif­ten uit de lees­map waar we thuis op geab­bo­neerd waren. En bij­voor­beeld de ach­ter­kant van een pak hagel­slag tij­dens het ont­bijt. Het maak­te niet uit, als ik maar iets te lezen had.

Mijn ouders waren hier allang aan gewend. Die keken er niet meer van op wan­neer ik in de auto onderwerg naar een fami­lie­be­zoek­je zelfs de gebruiks­hand­lei­ding begon te lezen wan­neer ik al het ande­re wat we aan lees­baar mate­ri­aal had­den mee­ge­no­men al uit had. Voor mijn groot­ou­ders was het een ander ver­haal. Die von­den het soms wel een beet­je vreemd dat ik almaar aan het lezen was. Op de avon­den dat ze een keer­tje bij ons kwa­men oppas­sen zodat mijn ouders er met z’n twee­ën op uit kon­den kreeg ik meer­maals te horen om toch eens wat anders te gaan doen. Met de waar­schu­wing erbij dat al dat lezen hele­maal niet goed was: ‘Ge ver­leest nog uns oew ver­stand.’

In het eer­ste hoofd­stuk van Don Qui­chot kom ik het ook tegen:

[…] van dit vele lezen en wei­nig sla­pen wer­den de her­sens hem zo dor, dat hij ten slot­te het ver­stand ver­loor.
[p.30, Don Qui­chot, Cer­van­tes]

Onze man van adel (inmid­dels al ver in de veer­tig), die zich­zelf dan nog niet de naam Don Qui­chot heeft aan­ge­me­ten, is name­lijk hele­maal ver­zot op rid­der­li­te­ra­tuur. Hij ver­slindt alle boe­ken die hij kan vin­den en ver­waar­loost daar­voor zijn have en goed. Dit vele lezen ont­neemt hem alle rea­li­teits­zin waar­door hij zich in het hoofd haalt om zelf een ‘dolend rid­der te wor­den en de gan­se wereld af te zwer­ven met paard en wape­nen’.

Wat dan volgt is ken­mer­kend voor wat in menig super­hel­den­ver­haal ook terug te vin­den is: hij hijst zich­zelf in een (have­loos) kos­tuum en neemt een nieu­we iden­ti­teit (Don Qui­chot) aan. Zelfs zijn graat­ma­ger paard krijgt een ande­re naam (Ros­si­nant) die beter past bij de avon­tu­ren die hen wach­ten. Als laat­ste bedenkt hij nog dat om het geheel te com­ple­te­ren er ook een scho­ne jonk­vrou­we dient te zijn waar­voor hij zijn leven bij tijd en wij­le op het spel kan zet­ten. Geluk­kig had hij daar snel iets op gevon­den:

Er woon­de, naar men zegt, in een dorp­je dicht­bij het zij­ne een knap­pe boe­ren­meid, aan wie hij vroe­ger zijn hart had ver­speeld, hoe­wel zij, naar er beweerd wordt, daar nooit weet of last van had. Zij heet­te Ald­on­za Loren­zo, en haar, leek hem, kon men het bes­te de titel van mees­te­res­se zij­ner gedach­ten schen­ken.
[p.32, Don Qui­chot, Cer­van­tes]

Haar her­noemt hij tot Dul­ci­nea van El Tobo­so. Niets weer­hield hem nu nog de wij­de wereld in te trek­ken op zoek naar avon­tuur.

~ ~ ~

Series Navi­ga­ti­on« Don Qui­chot — Voor­re­deDe ver­beel­ding op weg »