De verbeelding op weg

Deze blog­post is deel 3 van 25 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel – Twee­de hoofd­stuk:
Het­welk han­delt over de eer­ste tocht, die de geest­rij­ke Don Qui­chot uit zijn lan­den heeft onder­no­men

Onze held laat er geen gras over groei­en. Nadat hij zich­zelf in het eer­ste hoofd­stuk een rid­der­uit­rus­ting bij elkaar heeft geknut­seld trekt hij er nu in alle vroeg­te op uit. Hij blijkt zich even­wel maar matig te heb­ben voor­be­reid. Zo rea­li­seert hij zich al op de eer­ste dag dat hij niet tot rid­der is gesla­gen. Een niet onbe­lang­rijk detail. Maar voor­lo­pig besluit hij zijn tocht gewoon voort te zet­ten.

Wat me opvalt is dat Cer­van­tes in de tekst ande­re auteurs aan­haalt die ook over de avon­tu­ren van Don Qui­chot heb­ben geschre­ven:

Er zijn auteurs die bewe­ren dat het eer­ste avon­tuur het­welk hem over­kwam, dat van Puer­to Lápi­ce was; ande­ren zeg­gen het was dat van de wind­mo­lens; maar voor zover ik de zaak heb kun­nen nagaan en te oor­de­len naar het­geen ik beschre­ven vond in de kro­nie­ken van de Man­cha, reed hij de gehe­le dag voort en was zowel hij als zijn ros tegen het val­len van de avond dood­moe en ram­me­lend van de hon­ger, tot­dat hij […] een her­berg zag.
[p.34, Don Qui­chot, Cer­van­tes]

Ik heb de inlei­ding niet geheel gele­zen en weet eer­lijk gezegd niet of dit klopt, of dat Cer­van­tes het alleen zo wil doen voor­ko­men. Iets om bin­nen­kort op te zoe­ken want ik kom er gaan­de­weg ach­ter wei­nig tot niets te weten (van de ont­staans­ge­schie­de­nis) van Don Qui­chot. Voor nu blijf ik bij het ver­haal.

Ook in dit twee­de hoofd­stuk laat Cer­van­tes geen moge­lijk­heid onbe­nut om te ver­mel­den dat Don Qui­chot door het lezen van al die rid­der­ro­mans zijn ver­stand min of meer ver­lo­ren had. Zo ver­beeldt hij zich dat de her­berg waar hij bij het val­len van de avond arri­veert een heus kas­teel is. Amu­sant is voor­al dat twee vrou­wen van lich­te zeden door hem wor­den aan­ge­zien als ‘scho­ne jon­ge maag­den of beval­li­ge dames’. Hij spreekt ze aan in dich­ter­lij­ke taal waar ze ech­ter niets van begrij­pen.

Ter­wijl zij doen­de waren hem van zijn rus­ting af te hel­pen, zei­de hij, zich ver­beel­den­de dat deze veel­ge­bruik­te vrouws­per­so­nen die hem hiel­pen voor­na­me dames van dat kas­teel waren, met veel zwier:
‘Nim­mer zag men enig rid­der
Zo door scho­ne dames die­nen
Als het Don Qui­chot geschied is
Toen zijn dorp hij ging ont­vlie­den:
Maag­den gin­gen hem ver­zor­gen,
En prin­ses­sen ‘t paard voor­zien.
[p.36, Don Qui­chot, Cer­van­tes]

Het lukt ech­ter niet om hem van zijn helm te ont­doen zodat hij slechts met hulp van de waard en de vrou­wen een maal­tijd bestaan­de uit stok­vis kan ver­or­be­ren, waar­bij Cer­van­tes met­een de gele­gen­heid te baat neemt wat ver­der uit te wei­den over de vele vari­a­ties van deze vis zoals zij in Span­je wordt opge­diend. Bij de ver­mel­ding van bacal­l­ao moest ik den­ken aan een afle­ve­ring van ‘De keu­rings­dienst van waar­de’ die ook deze vis cen­traal had staan. Of was het ‘De wil­de keu­ken’ met Wou­ter Kloot­wijk?
Na het nut­ti­gen van de maal­tijd is hij een stuk opge­knapt maar komt tevens het besef in alle hevig­heid terug dat hij nog steeds niet tot rid­der is gesla­gen. Daar zal toch iets aan gedaan moe­ten wor­den.

~ ~ ~

Heeft u het bon­ne­tje nog? Nee, wel de blog­post.
Eeu­wig ver­moe­den van meer