Afranselingen

Deze blog­post is deel 5 van 33 in de serie Don Qui­chot — Cer­vantes

Eerste deel — Vierde hoofd­stuk:
Over het­geen de rid­der overk­wam toen hij de her­berg ver­lat­en had

Het is niet veel wat ik nog wist over Don Qui­chot (eigen­lijk ben ik door het lezen van alleen al de eerste drie hoofd­stukken een heel stuk wijz­er gewor­den) maar één van de din­gen die ik me meen te herin­neren (naast zijn knecht San­cho en het gevecht tegen de wind­molens) is dat hij regel­matig flink in elka­ar werd gemept door zijn tegen­standers. In het vierde hoofd­stuk is het meteen raak (let­ter­lijk en figu­urlijk).

Aan­vanke­lijk is er nog geen vuilt­je aan de lucht. Don Qui­chot is inmid­dels tot rid­der ges­la­gen en besluit huiswaarts te keren om nog wat extra reis­ben­odigdhe­den op te halen op advies van de her­bergi­er (die hij voor een kas­teel­heer hield). Bij een bosrand aangekomen hoort hij geschree­uw. Zon­der aarze­len geeft hij zijn paard de sporen om op onder­zoek uit te gaan. Wat hij aantre­ft is een jonge­man met ont­bloot boven­li­jf, vast­ge­bon­den aan een boom. Een oud­ere man is bezig hem een afransel­ing te geven met een leren riem.

De plot­selinge ver­schi­jn­ing van Don Qui­chot, in vol ornaat en met geheven lans, doet de oud­ere man zo schrikken dat hij ter­stonds de riem laat zakken en zich begint te verontschuldigen voor zijn gedrag. Vol­gens de oud­ere man is de jonge­man zijn knecht die de schaap­skud­de moet hoe­den. Dat doet hij zo slecht dat er regel­matig schapen verd­wi­j­nen. De knecht daar­ente­gen klaagt over achter­stal­lig loon dat hij al tij­den niet heeft ont­van­gen. Don Qui­chot denkt de zaak naar behoren geregeld te hebben door de oud­ere man te beve­len zijn knecht met spoed het loon uit te betal­en. Tevre­den over deze eerste goede daad als dolende rid­der ver­vol­gt hij zijn weg ter­wi­jl als hij een­maal uit zicht verd­we­nen is de oud­ere man opnieuw zijn knecht aan een boom vast­bindt en de afransel­ing her­vat.

Lat­er diezelfde dag kruist Don Qui­chot een groep kooplieden die hem tege­moet komen rij­den. In hen ziet hij een verza­mel­ing rid­ders waar­door hij het in zijn hoofd haalt dat een toer­nooi aanstaande is. Opnieuw maakt hij zich op voor een gevecht en eist van de rid­ders dat zij erken­nen dat de schoonste maagd van allen zijn Dul­cinea is (de jonkvrouwe waar­voor hij zijn lev­en op het spel zet, en die geen flauw benul heeft van haar ver­heven rol). De kooplieden besef­fen al snel dat er met de rid­der die daar zo fier op zijn paard zit iets mis is. Er ontstaat een woor­den­wis­sel­ing die Don Qui­chot zo razend maakt dat hij onver­hoopt besluit tot de aan­val over te gaan.

Helaas stru­ikelt zijn paard Rossi­nant.

Gehin­derd door zijn uitrust­ing (waar hebben we dat eerder gelezen…) lukt het Don Qui­chot niet op te krabbe­len uit de berm waar hij terecht is gekomen. Weer­loos als hij is bli­jft hij toch schelden en tieren, waarop een van de ezeldri­jvers die bij de kooplieden hoort het niet langer aan kan horen en hem met zijn gebro­ken lans een ver­schrikke­lijk afram­mel­ing geeft. Daar­na lat­en ze hem voor half­dood achter.

[…] niet­te­gen­staande dit alles hield hij zich nog voor een gelukkig man, want hij meende dat dit een ongeval was geheel in de trant van de dolende rid­der­schap, en hij weet het gans en al aan zijn paard. Intussen vond hij, ger­ad­braakt als hij was, niet de kracht ter been te rak­en.
[p.48, Don Qui­chot, Cer­vantes]

Mocht­en we daar nog aan twi­jfe­len, dan is nu wel duidelijk dat Don Qui­chot in alle opzicht­en geheel van het pad­je is ger­aakt.
~ ~ ~

Series Nav­i­ga­tion« Een gladde jon­gen met gladde praat­jesBreng ons niet in ver­lei­d­ing en ver­los ons van de kwade boeken »

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Tags

(all tags)

Tweets