Werelden van verschil

Deze blogpost is deel 11 van 34 in de serie Don Quichot - Cervantes

Eerste deel – tiende hoofdstuk
Over de aardige gesprekken, gevoerd tussen Don Quichot en Sancho Panza, zijn schildknaap

Nu het gevecht met de schildknaap van de reizende dames in het voordeel van Don Quichot is geëindigd trekt het duo weer verder. Is Sancho Panza vooraleerst geïnteresseerd of deze overwinning voor hem een eiland heeft opgeleverd, al snel is hij meer nieuwsgierig naar een wonderbaarlijk balsem waar Don Quichot aan refereert. Het zou in staat zijn de meest verschrikkelijke verwondingen te kunnen genezen.

In de woorden van de onbevreesde ridder:

Wanneer […] je ziet dat men mij bij een of ander wapenfeit het lichaam in twee helften heeft gespleten – hetgeen menigmaal voorkomt – zet dan slechts het deel dat ter aarde is gestort voorzichtig en bekwaam, en nog voordat het bloed geronnen is, op de andere helft die in den zadel bleef steken, maar let wel dat alles nauwkeurig op elkaar past. Laat mij vervolgens niet meer dan twee teugen van dezen gezegden balsem drinken, en je zult me weer zo gezond als een vis zien.
[p.77, Don Quichot, Cervantes]

Sancho Panza krijgt meteen pesatatekens in zijn ogen bij het horen van dit alles, zeker wanneer Don Quichot hem toevertrouwd dat het bereiden van deze balsem niet al te moeilijk is en ook nog eens redelijk goedkoop. De ridder is echter niet van plan om zich daar mee bezig te houden. Hij heeft nog veel meer en grotere geheimen voor Sancho Panza in petto. Maar eerst moeten ze op zoek naar onderdak voor de nacht.

In het vervolg van hun tocht wordt het Sancho Panza steeds duidelijker dat Don Quichot veel van zijn vermeende wijsheid uit ridderromans haalt. Iets wat hem niet is gegeven want hij is een volslagen analfabeet. Het weerhoudt hem echter niet om continu in discussie te gaan en een gezonde dosis twijfel te plaatsen bij veel van de stellingen die de belezen aristocraat te berde brengt. Dat levert uiterst vermakelijke tweegesprekken op die niet alleen bij mij maar ook bij de reizigers de tijd voorbij doen vliegen.

Een willekeurig voorbeeld:

‘Hoe weinig begrijp je van dit alles!’ antwoordde Don Quichot. ‘Weet toch Sancho, dat dolende ridders er een eer in stellen een maand lang niets te eten, en áls zij het dan doen nemen ze maar wat er voor de hand is. Dit kon je bekend zijn, wanneer je zoveel boeken gelezen had als ik.
[…]
‘Houdt Ued. het mij ten goede’, zei Sancho, ‘maar zoals ik al zei: ik kan niet lezen of schrijven en zodoende ken en begrijp ik de wetten van de ridders niet; maar ik zal dan voortaan de zadeltas voor u als edelman wel volstoppen met rijkelijk gedroogde vruchten en voor mij die het niet ben, met een kippeboutje: dat is even lichte, maar voedzame kost.’
[p.78-79, Don Quichot, Cervantes]

Het hoofdstuk eindigt bij enkele schaapsherders die gezeten in het open veld juist aan hun avondmaaltijd willen beginnen. Sancho Panza baalt dat ze ver van de bewoonde wereld onbeschut de nacht zullen gaan doorbrengen, maar voor Don Quichot past het precies bij het beeld dat hij heeft van het dolend ridderschap. Hij ziet het als een zoveelste proeve van bekwaamheid die hij moet afleggen.

~ ~ ~

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *