Een avondje tussen de geitenhoeders

Deze blog­post is deel 12 van 33 in de serie Don Qui­chot — Cer­vantes

dq1-11

Eerste deel – elfde hoofd­stuk
Over het­geen Don Qui­chot beleefde met zekere geit­en­hoed­ers

Nu ik gis­ter de draad weer opgepikt heb van mijn blogserie over Zen and the Art of Motor­cy­cle Main­te­nance, eens zien of ik van­daag het­zelfde kan doen met Don Qui­chot. In juni hebben we onze helden achterge­lat­en bij het kam­pe­ment van enkele geit­en­hoed­ers waar zij de nacht in het open veld gaan door­bren­gen. Aan­vanke­lijk zeer tegen de zin van San­cho. Als blijkt dat de geit­en­hoed­ers een voortr­e­f­fe­lijk en vooral overvloedig maal hebben klaarge­maakt slaat de stem­ming echter al snel om. Er wordt sinds tij­den goed gegeten en zek­er niet min­der gedronken.

Deze gastvri­jheid is aan­lei­d­ing voor Don Qui­chot om een lang­durig betoog af te steken over een ‘gouden peri­ode’ in de geschiede­nis toen alles nog pais en vree was. De uit­ge­brei­de beschri­jv­ing doet denken aan een soort van luilekker­land waar vanalles in overvloed aan­wezig is en men elka­ar met eerbied en respect beje­gent. De vrouwen kon­den alleen over straat zon­der bang te zijn dat ze lastig gevallen zouden wor­den, ‘en áls zij haar eerbaarheid ver­loren, geschied­de dat met haar eigen wil en wel­be­ha­gen.’

Met de ken­nis dat Don Qui­chot al enkele malen zeer uit­ge­breid zijn liefde voor Dul­cinea van El Toboso heeft beschreven is het in mijn ogen komisch dat Cer­vantes hem de vol­gende woor­den in de mond legt:

Toen werd de taal der liefde een­voudig en ongekun­steld gespro­ken, volkomen zoals de ziel ze ingaf en zon­der dat men naar gemaak­ten en onnatu­urlijken omhaal van woor­den zocht om ver­liefde gedacht­en schromelijk te over­dri­jven.
[p. 81, Don Qui­chot]

Helaas kwam aan deze mooie tij­den een einde door een groeiende kwaad­wil­ligheid onder de men­sheid waar­door de noodza­ak van een rid­derorde onstond die de zwakkeren zou kun­nen bescher­men. Don Qui­chot vertelt de geit­en­hoed­ers dat hij tot zo’n orde behoort en dankt hen voor de goede zor­gen, want hoewel dat in zijn ogen een ver­plicht­ing is voor eenieder indi­en zij een dolende rid­der te gast hebben, wil dat niet zeggen dat hij er niet erken­telijk voor is.

De toe­spraak (die door de Cer­vantes wordt afgedaan als ‘een­t­je die men even­goed had kun­nen mis­sen,’ en door de geit­en­hoed­ers nauwelijks wordt begrepen) wordt gevol­gd door een optre­den van een jonge­man die een lied ten gehore brengt over zijn liefde voor de schone Eulalie die echter onbeant­wo­ord bli­jft. Na afloop wil Don Qui­chot nog wel wat meer liederen horen maar San­cho maant hem te gaan slapen met het ver­wi­jt dat de geit­en­hoed­ers overdag zwaar werk ver­richt­en en daar­door niet de hele nacht kun­nen doorza­kken. Onder protest stemt Don Qui­chot hier­mee in, niet nadat zijn gewonde oor van een nieuw ver­band is voorzien.

~ ~ ~

Series Nav­i­ga­tion« Werelden van ver­schilDon Qui­chot — de ver­nuftige taal­nazi »

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Tags

(all tags)

Tweets