Fatale vrouwen

Deze blog­post is deel 14 van 33 in de serie Don Qui­chot — Cer­vantes


Eerste deel – der­tiende hoofd­stuk
Waarin een eind komt aan de his­to­rie van de herderin Marcela, en andere gebeurtenis­sen

Ruim een jaar gele­den, op 5 novem­ber 2016 om pre­cies te zijn, plaat­ste ik mijn laat­ste blog­post over Don Qui­chot. Ik had het niet aangekondigd, maar het ging zoals het ging, andere zak­en (ver­bouwing en ver­huiz­ing) bleken hogere pri­or­iteit te hebben. Nadat afgelopen zomer ons lev­en in iet­wat rustiger vaar­wa­ter is terecht­gekomen blaas ik langza­mer­hand een aan­tal oude rou­tines weer nieuw lev­en in. Dit week­end is het lezen in en schri­jven over Don Qui­chot dan ein­delijk ook aan de beurt.

Waar waren we gebleven?

In het vorige hoofd­stuk brengt Don Qui­chot de nacht in het open veld door in het gezelschap van een stel herders. Net voor het slapen gaan kri­j­gen ze bezoek van een jonge­man die de herders gewend is van pro­viand te voorzien vanu­it een nabi­jgele­gen dorp. Van hem kri­j­gen ze het ver­haal te horen dat de vol­gende dag een begrafe­nis plaatsvin­dt van een geleerde die door liefdesver­dri­et is gestor­ven. Niet op de begraaf­plaats, maar ergens op een zelfverkozen plek in de bergen waar hij zijn onbereik­bare geliefde had ont­moet. In de woor­den van zijn beste vriend:

Hier […] had hij voor het eerst deze doo­dsvi­jandin van het menselijk ges­lacht ont­moet, hier was het dat hij haar de allereer­ste maal zijn even eerbare als ver­liefde gedacht­en open­baarde en hier vers­maadde hem Marcela en wees hem voor de aller­laat­ste maal af, waarmede zij een einde aan de tragedie van zijn ram­pza­lig lev­en maak­te.
[p.93]

Natu­urlijk heeft Don Qui­chot er oren naar om deze begrafe­nis bij te wonen. Het ver­haal van een man die zich zo ver­li­est in de ado­ratie voor een vrouw dat hij zelfs zijn eigen lev­en ervoor over heeft moet hem als dolend rid­der uit naam van zijn aanbe­den Dul­cinea erg aanspreken. De vol­gende ocht­end voor dag en dauw sluit hij zich daarom aan bij de andere herders die de overledene de laat­ste eer gaan bewi­jzen. Ze zijn niet de eni­gen blijkt al snel.

Onder de reizigers die ze onder­weg ont­moeten zijn ook enkele edel­lieden die aan de praat rak­en met Don Qui­chot. Al snel wordt hen duidelijk dat er bij onze held een steek­je los is wan­neer hij omstandig uit de doeken doet wat het dolend rid­der­schap (want er is weinig anders waar Don Qui­chot over praat) pre­cies betekent. Eén van hen wil weten of er niet iets van heiligschen­nis zit in het onvoor­waardelijk geloof van een dolend rid­der in de vrouw die hij boven alles bewon­dert en voor wie hij alle gevaren wil trot­seren zelfs als dat de dood tot gevolg heeft. Gaat het niet voor­bij aan de chris­telijke plicht om God lief te hebben? De repliek van Don Qui­chot is als vol­gt:

[…] zede en gebruik der dolende rid­der­schap wil dat de edele, aleer hij een edele daad gaat bedri­jven zich in tegen­wo­ordigheid van zijne aangebe­dene begeeft en smek­end en ver­liefd de ogen tot haar opslaat als ver­zocht hij haar hem in de hache­lijke onderne­m­ing waarin hij zich gaat wagen, hulp en bij­s­tand te ver­lenen. […] Edoch past het niet daaruit te ver­staan dat zij hun ziel niet in Godes hoede zouden beve­len, en overi­gens rest daar­toe tijd en gele­gen­heid genoeg tij­dens het vol­bren­gen der wapen­feit­en.
[p.91]

Het kan zijn gesprekspart­ner niet geheel over­tu­igen en de dis­cussie gaat verder richt­ing de iden­titeit van de vrouw waar­voor Don Qui­chot bereid is zijn lev­en op te offer­en mocht het lot hem daar­toe dwin­gen. Wan­neer de schoonheid van Dul­cinea in geuren en kleuren door Don Qui­chot is beschreven (waar­bij San­cho Pan­za zich heimelijk afvraagt wie die vrouw dan wel mag zijn, want hij heeft nog nooit over haar geho­ord hoewel hij toch aardig dicht bij haar woon­plaats van­daan komt) dreigt het even of het tot een con­frontatie komt tussen de rid­der en de reizigers. Zij blijken namelijk te sug­geren dat ze nog nooit van deze adelijke fam­i­lie uit El Toboso geho­ord te hebben, wat Don Qui­chot als een beledig­ing lijkt op te vat­ten. Maar juist op dat moment zien ze een groep mensen verza­meld ron­dom een draag­baar met daarop de overledene.

Tij­dens de plechtigheid is het opnieuw dezelfde reiziger die de zak­en (onbe­doeld?) op de spits dri­jft. Wan­neer de beste vriend van de overledene namelijk vertelt dat het zijn laat­ste wens was om niet alleen hier in de bergen begraven te wor­den, maar dat ook nog eens al zijn schri­jf­sels over de ‘wrede’ Marcela ver­brand dienen te wor­den, bemoeit de reiziger zich hier­mee. Hij is van mening dat het beter zou zijn deze papieren te bewaren, als waarschuwing voor al diege­nen die zich soms ook onver­hoopt in een ver­liefd­heid storten die gedoemd is slecht af te lopen. Zon­der op antwo­ord te wacht­en weet hij een hand­vol papieren van de stapel weg te gris­sen voor­dat iemand het kan voorkomen.

Een­t­je draagt als titel ‘Het Lied van de Wan­hoop’. Vol­gens de beste vriend is dit het laat­ste gedicht wat de ongelukkige geschreven heeft. Hij stelt voor om het hardop voor te lat­en lezen zodat iedereen met eigen oren kan horen hoe het zover gekomen is. De edel­man die zo bru­taal was geweest de papieren te ont­fut­se­len stemt toe en begint te lezen.

~ ~ ~

Series Nav­i­ga­tion« Don Qui­chot — de ver­nuftige taal­naziDe herdert­jes stalk­ten bij … »

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Tags

(all tags)

Tweets