De herdertjes stalkten bij …

Deze blog­post is deel 15 van 33 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes


Eer­ste deel – veer­tien­de hoofd­stuk
Waar­in men de wan­ho­pi­ge ver­zen van de over­le­den her­der vindt, mits­ga­der ande­re onver­hoop­te gebeur­te­nis­sen

Ik weet niet hoe dat met jul­lie zit, maar ik voel me vaak al snel een beet­je onge­mak­ke­lijk wan­neer iemand blijk geeft van zijn of haar onvoor­waar­de­lij­ke lief­de voor een ander. Het komt bij mij altijd nog­al een­zij­dig en bezit­te­rig over. Als­of het object van de lief­de er geen actie­ve rol in heeft anders dan voor de vol­le hon­derd pro­cent te beant­woor­den aan het ide­aal­beeld dat de ver­lief­de voor ogen heeft. Mis­schien ben ik er te nuch­ter voor (zon­der dat ik zal ont­ken­nen niet ooit vol­le­dig tot over mijn oren ver­liefd te zijn geweest).

Wat me zo gaat tegen­staan bij die (als roman­tisch gebrach­te) ver­ha­len is het aspect van obses­sie. Alle rede­lijk­heid wordt uit het oog ver­lo­ren. Niets doet er meer toe behal­ve de (ge)liefde. Met het hoofd in de wol­ken raakt elk zicht op de rea­li­teit ver­lo­ren. Het is een vorm van ego­ïs­ti­sche tun­nel­vi­sie die alleen maar goed gaat zolang de gelief­de blijk geeft hier­van gediend te zijn. Zo niet, dan zijn de rapen gaar. Extre­me wan­hoops­da­den zoals zelf­moord uit lief­des­ver­driet of opdrin­ge­ri­ge stal­king als uiter­ste poging de lief­de als­nog af te kun­nen dwin­gen lig­gen op de loer.

Zoals we in de vori­ge hoofd­stuk­ken heb­ben kun­nen lezen had de herder/dichter Crisósto­mo de hand aan zich­zelf gesla­gen toen het voor hem een­maal dui­de­lijk werd dat de onwaar­schijn­lijk mooie Mar­ce­la niet van zijn toe­na­de­rin­gen gediend was. Nu had­den zijn vrien­den zich ver­za­meld op een plek ergens in de ber­gen waar hij haar voor het eerst had ont­moet. Het was zijn laat­ste wens om daar begra­ven te wor­den. De geschrif­ten waar­in hij zijn lief­de voor haar had bezon­gen moesten ver­brand wor­den.

Een van de gas­ten weet ech­ter enke­le papie­ren te ont­fut­se­len voor­dat deze ver­dwij­nen in de vlam­men. Het blijkt zijn laat­ste vers te zijn. Niet een­tje waar­in hij haar ophe­melt, maar waar­in dit­maal al zijn frus­tra­tie en woe­de over de afwij­zing door Mar­ce­la de ruim­te krijgt. Zij wordt afge­schil­derd als een mee­do­gen­lo­ze vrouw die gespeeld heeft met de waar­ach­ti­ge gevoe­lens die Crisósto­mo voor haar had en hem zo de afgrond in heeft gedre­ven.

Gij, die door zoveel onrecht werd de reden
Dat ik terecht mijn leven wil berech­ten,
Waar ‘k moe van ben en dat mij tegen­staat,
Merk dan hoe­veel ik van u heb gele­den
Uit het gemak waar­mee ik mij laat knech­ten,
Alhaast ver­blijd, dat dit ten ein­de gaat.
[p.96, Don Qui­chot]

Ter­wijl het gezel­schap nog onder de indruk staat te zijn van deze laat­ste woor­den geschre­ven door hun vriend ter­wijl hij de ultie­me oplos­sing al voor ogen had die hen uit­ein­de­lijk naar deze laat­ste rust­plaats had gebracht, ver­schijnt daar plot als uit het niets de scho­ne Mar­ce­la. Zij houdt een slot­plei­dooi dat haar kant van het ver­haal (als­ook van zoveel vrou­wen voor haar die con­ti­nu de ido­la­te bewon­de­raars aan hun voe­ten vin­den die menen nu ein­de­lijk de ware gevon­den te heb­ben) veel beter recht doet dan de rij­me­la­rij door Crisósto­mo. Het is de moei­te waard in zijn geheel te lezen, maar voor hier haal ik er een aan­tal pun­ten uit die voor mij eruit sprin­gen:

Het gezond ver­stand dat God mij gege­ven heeft, zegt mij dat al wat schoon is, waard is bemind te wor­den; maar ik zie niet in dat de schoon­heid, omdat ze bemind wordt, ver­plicht is daar­om te bemin­nen wie haar bemint. […]
En als het niet zo is, zeg mij dan eens dit: als de Hemel die mij als een scho­ne vrouw gescha­pen heeft, mij eens lelijk had gemaakt, zou het dan rede­lijk zijn dat ik mij over u beklaag­de, omdat gij mij niet wil­de lief­heb­ben? […]
Wel­nu, indien eer­baar­heid een van de deug­den is die lichaam en ziel het aller­meest tooi­en en ver­sie­ren, waar­om moet dan een vrouw die om haar schoon­heid bemind wordt, haar eer ver­lie­zen door te gehoor­za­men aan het ver­lan­gen van de man die enkel en alleen omdat het hem lust, er met al zijn krach­ten en lis­ten naar streeft dat zij die ver­liest?
[p.97–98, Don Qui­chot]

Je zou den­ken dat het voor de toe­hoor­ders nu wel dui­de­lijk moest zijn dat Mar­ce­la met rust gela­ten wil wor­den en als het op de lief­de aan­kwam gediend was van gelijk­waar­dig­heid. Niet ech­ter voor de man­ne­lij­ke her­ders. Het is dat Don Qui­chot de tegen­woor­dig­heid van geest had om hen tegen te hou­den anders waren zij op stel en sprong Mar­ce­la ach­ter­na gegaan die zich na haar wij­ze woor­den schie­lijk terug­trok in het dich­te woud.

Het hoofd­stuk ein­digt dan ook met het ten gra­ve bren­gen van de arme Crisósto­mo, maar ikzelf was voor­al onder de indruk van Mar­ce­la die nood­ge­dwon­gen had moe­ten kie­zen voor een geï­so­leerd bestaan om enkel op die manier de man­nen van haar lijf te kun­nen hou­den.

~ ~ ~

Series Navi­ga­ti­on« Fata­le vrou­wenTwee tegen allen, twee tegen elkaar »

2 Comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *