De herdertjes stalkten bij …


Eer­ste deel – veer­tien­de hoofdstuk
Waar­in men de wan­ho­pi­ge ver­zen van de over­le­den her­der vindt, mits­ga­der ande­re onver­hoop­te gebeurtenissen

Ik weet niet hoe dat met jul­lie zit, maar ik voel me vaak al snel een beet­je onge­mak­ke­lijk wan­neer iemand blijk geeft van zijn of haar onvoor­waar­de­lij­ke lief­de voor een ander. Het komt bij mij altijd nog­al een­zij­dig en bezit­te­rig over. Als­of het object van de lief­de er geen actie­ve rol in heeft anders dan voor de vol­le hon­derd pro­cent te beant­woor­den aan het ide­aal­beeld dat de ver­lief­de voor ogen heeft. Mis­schien ben ik er te nuch­ter voor (zon­der dat ik zal ont­ken­nen niet ooit vol­le­dig tot over mijn oren ver­liefd te zijn geweest).

Wat me zo gaat tegen­staan bij die (als roman­tisch gebrach­te) ver­ha­len is het aspect van obses­sie. Alle rede­lijk­heid wordt uit het oog ver­lo­ren. Niets doet er meer toe behal­ve de (ge)liefde. Met het hoofd in de wol­ken raakt elk zicht op de rea­li­teit ver­lo­ren. Het is een vorm van ego­ïs­ti­sche tun­nel­vi­sie die alleen maar goed gaat zolang de gelief­de blijk geeft hier­van gediend te zijn. Zo niet, dan zijn de rapen gaar. Extre­me wan­hoops­da­den zoals zelf­moord uit lief­des­ver­driet of opdrin­ge­ri­ge stal­king als uiter­ste poging de lief­de als­nog af te kun­nen dwin­gen lig­gen op de loer.

Zoals we in de vori­ge hoofd­stuk­ken heb­ben kun­nen lezen had de herder/dichter Crisósto­mo de hand aan zich­zelf gesla­gen toen het voor hem een­maal dui­de­lijk werd dat de onwaar­schijn­lijk mooie Mar­ce­la niet van zijn toe­na­de­rin­gen gediend was. Nu had­den zijn vrien­den zich ver­za­meld op een plek ergens in de ber­gen waar hij haar voor het eerst had ont­moet. Het was zijn laat­ste wens om daar begra­ven te wor­den. De geschrif­ten waar­in hij zijn lief­de voor haar had bezon­gen moesten ver­brand worden.

Een van de gas­ten weet ech­ter enke­le papie­ren te ont­fut­se­len voor­dat deze ver­dwij­nen in de vlam­men. Het blijkt zijn laat­ste vers te zijn. Niet een­tje waar­in hij haar ophe­melt, maar waar­in dit­maal al zijn frus­tra­tie en woe­de over de afwij­zing door Mar­ce­la de ruim­te krijgt. Zij wordt afge­schil­derd als een mee­do­gen­lo­ze vrouw die gespeeld heeft met de waar­ach­ti­ge gevoe­lens die Crisósto­mo voor haar had en hem zo de afgrond in heeft gedreven.

Gij, die door zoveel onrecht werd de reden
Dat ik terecht mijn leven wil berechten,
Waar ‘k moe van ben en dat mij tegenstaat,
Merk dan hoe­veel ik van u heb geleden
Uit het gemak waar­mee ik mij laat knechten,
Alhaast ver­blijd, dat dit ten ein­de gaat.
[p.96, Don Quichot]

Ter­wijl het gezel­schap nog onder de indruk staat te zijn van deze laat­ste woor­den geschre­ven door hun vriend ter­wijl hij de ultie­me oplos­sing al voor ogen had die hen uit­ein­de­lijk naar deze laat­ste rust­plaats had gebracht, ver­schijnt daar plot als uit het niets de scho­ne Mar­ce­la. Zij houdt een slot­plei­dooi dat haar kant van het ver­haal (als­ook van zoveel vrou­wen voor haar die con­ti­nu de ido­la­te bewon­de­raars aan hun voe­ten vin­den die menen nu ein­de­lijk de ware gevon­den te heb­ben) veel beter recht doet dan de rij­me­la­rij door Crisósto­mo. Het is de moei­te waard in zijn geheel te lezen, maar voor hier haal ik er een aan­tal pun­ten uit die voor mij eruit springen:

Het gezond ver­stand dat God mij gege­ven heeft, zegt mij dat al wat schoon is, waard is bemind te wor­den; maar ik zie niet in dat de schoon­heid, omdat ze bemind wordt, ver­plicht is daar­om te bemin­nen wie haar bemint. […]
En als het niet zo is, zeg mij dan eens dit: als de Hemel die mij als een scho­ne vrouw gescha­pen heeft, mij eens lelijk had gemaakt, zou het dan rede­lijk zijn dat ik mij over u beklaag­de, omdat gij mij niet wil­de liefhebben? […]
Wel­nu, indien eer­baar­heid een van de deug­den is die lichaam en ziel het aller­meest tooi­en en ver­sie­ren, waar­om moet dan een vrouw die om haar schoon­heid bemind wordt, haar eer ver­lie­zen door te gehoor­za­men aan het ver­lan­gen van de man die enkel en alleen omdat het hem lust, er met al zijn krach­ten en lis­ten naar streeft dat zij die verliest?
[p.97–98, Don Quichot]

Je zou den­ken dat het voor de toe­hoor­ders nu wel dui­de­lijk moest zijn dat Mar­ce­la met rust gela­ten wil wor­den en als het op de lief­de aan­kwam gediend was van gelijk­waar­dig­heid. Niet ech­ter voor de man­ne­lij­ke her­ders. Het is dat Don Qui­chot de tegen­woor­dig­heid van geest had om hen tegen te hou­den anders waren zij op stel en sprong Mar­ce­la ach­ter­na gegaan die zich na haar wij­ze woor­den schie­lijk terug­trok in het dich­te woud.

Het hoofd­stuk ein­digt dan ook met het ten gra­ve bren­gen van de arme Crisósto­mo, maar ikzelf was voor­al onder de indruk van Mar­ce­la die nood­ge­dwon­gen had moe­ten kie­zen voor een geï­so­leerd bestaan om enkel op die manier de man­nen van haar lijf te kun­nen houden.

~ ~ ~


2 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *