13,47 — 18 km (dag 3)

Deze avond zaten er veel vis­sers aan de Lin­ge. Ik had ze gezien toen ik voor de ver­an­de­ring een weg bin­nen­door geno­men had omdat er een lan­ge file op de snel­weg stond. De hen­ge­laars had­den gemid­deld zo’n 100 meter tus­sen­ruim­te om niet te veel in elkaar vis­wa­ter te zit­ten.
Er was een tijd dat ik ook regel­ma­tig ging vis­sen. We moe­ten daar­voor terug naar de peri­o­de dat ik een jaar of vijf­tien was. Voor­al wan­neer we gedu­ren­de de zomer op de cam­ping zaten trok ik er gere­geld op uit met mijn vis­ge­rei. Op een half uur­tje lag een gro­te vij­ver ver­scho­len in de bos­sen. Daar zocht ik een mooi plek­je op en bracht daar soms wel een hele dag in mijn een­tje door voor­zien van vol­doen­de eten, drin­ken en boe­ken.
Niet dat ik veel ving. Wat me veel meer aan­trok was de rust aan de water­kant, weg van de druk­te. Toen al.
Wat ik me her­in­ner is dat er best veel jon­ge­ren van mijn leef­tijd naar die vij­ver trok­ken. Som­mi­ge her­ken­de ik van de cam­ping, maar lang niet ieder­een. Waar­schijn­lijk kwa­men ze uit de nabij­ge­le­gen dor­pen.
Aan de Lin­ge zag ik ech­ter geen enkel jon­ge­re. Alleen maar blan­ke man­nen op ver­ge­vor­der­de leef­tijd. Met heel veel ver­schil­len­de soor­ten hen­gels en voor­al heel veel kam­peer­spul­len. Het leek wel of ze de vol­le­di­ge zomer­va­kan­tie aan de oever wil­den door­bren­gen.
Maar toen ik niet veel later van­af de ande­re kant weer aan kwam ren­nen waren de mees­ten ver­dwe­nen.

~ ~ ~

6,27 — 13,47 km (dag 2)
18 — 23,02 km (dag 4)