Schapen zijn de nieuwe windmolens

Deze blogpost is deel 19 van 21 in de serie Don Quichot - Cervantes

Eerste deel – achttiende hoofdstuk
Gaande over de gesprekken die Sancho Panza voerde met zijn meester Don Quichot, benevens andere avonturen die wel waard zijn verhaald te worden

Ik haalde het al eerder aan. Van de episode dat Don Quichot het gevecht aangaat met de windmolens had ik veel meer verwacht. In mijn beleving zou het een sleutelscène behoren te zijn in de vertelling over de dolende ridder. Maar het was voorbij voordat ik het in de gaten had.

Ook in latere hoofdstukken wordt er (tot nu toe) verder niet naar terugverwezen. Waarom is dit specifieke voorval dan zo typerend geworden voor het verhaal van Don Quichot? Het zal toch niet zo zijn omdat het toevalligerwijs al in één van de eerste hoofdstukken aan bod komt? Dat zou wel heel gemakzuchtig zijn.

Natuurlijk weet ik niet wat de meer dan 600 bladzijden die ik nog moet lezen in het verschiet hebben voor onze verdwaasde held maar in hoofdstuk achttien is hij slachtoffer van een vergelijkbare zinsbegoocheling als met de windmolens. De hier beschreven gebeurtenis zou net zo goed in aanmerking kunnen komen als voorbeeld hoever Don Quichot verstrikt is geraakt in zijn ‘weergaloze waanzin’.

Nadat de jonassers uiteindelijk Sancho Panza hebben laten gaan reizen de twee verder op weg naar nieuwe avonturen. Hoewel voor Sancho het stillaan welletjes is. Het vooruitzicht van eeuwige roem en misschien wel een eigen eiland kan hem steeds minder motiveren om nieuwe tegenslagen te trotseren. Hij vraagt zich af waarom ze niet huiswaarts kunnen keren:

Als ik het eens zeggen mag met mijn domme hersens dan zou het maar het beste zijn om naar huis te gaan, vooral omdat het nou toch oogsttijd is, en ons voortaan te vermaken in eigen huis en hof, in plaats van zoals men zegt van het kastje naar de muur en van hot naar haar te sjouwen.
[p.121]

Don Quichot wil daar vanzelfsprekend niets van weten. Met de hem kenmerkende breedsprakigheid houdt hij Sancho voor dat het slechts een kwestie van tijd en een nieuw zwaard is voordat het geluk hen zal toelachen. Hij heeft deze woorden nog niet uitgesproken of hij ontwaart aan de horizon een stofwolk. Ook achter hen verschijnt er eentje. Voor Don Quichot is het duidelijk. Hier trekken twee legers ten strijde die in de vlakte elkaar zullen ontmoeten om met elkaar in gevecht te gaan.

Wat volgt is een gedetailleerde opsomming door Don Quichot van alle belangrijke edellieden die in beide kampen partij hebben gekozen en wie de aanvoerders zijn. Ook hier weer valt het conflict terug te voeren op een private kwestie waar de dochter van de ene heer aanbeden wordt door de andere heer die echter een heiden is en eerst zijn geloof moet afzweren voordat hij in aanmerking komt om de hand te vragen van zijn geliefde.

Echter.

Het is zijn verbeelding die Don Quichot niet voor de eerste keer, en waarschijnlijk ook niet voor de laatste keer parten speelt. De stofwolken worden niet opgeworpen door een grote legerschare maar door twee kuddes schapen die bij elkaar komen in het dal. Hoe Sancho ook zijn best doet om Don Quichot van het tegendeel te overtuigen, de met de dag waanzinniger wordende en strijdlustige ridder heeft maar één doel voor ogen, namelijk zich in het strijdgewoel mengen om te vechten tegen de heidense heer.

En net zoals tegen de windmolens stormt Don Quichot nu in vol ornaat en volle overtuiging van zijn eigen onoverwinnelijkheid de schapen tegemoet om er onmiddellijk enkele met zijn lans dodelijk te verwonden voordat de schaapsherders doorhebben wat er aan de hand is. Daarna duurt het niet lang voordat ze hem met hun slingers vol stenen en pitten uit het zadel weten te gooien en hij ernstig gewond ter aarde stort. De herders die het idee hebben dat hij hierbij gedood is maken zich schielijk met de schapen uit de voeten voordat Sancho ter plaatse is. Hem rest niet meer dan zijn meester wat op te lappen en hem uit te horen of hij echt niet had gezien dat het hier schapen betrof.

Don Quichot blijft echter bij zijn verhaal en verwijt zijn knecht dat juist hij de dingen niet ziet zoals ze zijn. Kwam dat voor de aanval omdat Sancho vooral bang was:

‘De angst zit jou zo onder de leden, Sancho’, sprak Don Quichot, ‘dat je slecht hoort en ziet; een van de gevolgen der vreesachtigheid is immers dat ze de zinnen verwart en ons de dingen in anderen dan den waren schijn vertoont […]’
[p.124]

Naderhand had dit te maken met de toverkunsten van de legeraanvoerders die in staat zouden zijn ‘om de dingen zo te doen verschijnen en verdwijnen’ als zij willen om hun tegenstanders zand in de ogen te doen strooien. Don Quichot adviseert Sancho de verdwijnende kudde schapen te volgen ‘en je zult zien dat zij op korte afstand van hier hun oorspronkelijke gedaante weer zullen aannemen, en niet langer schapen , maar werkelijke mensen zijn’.

Sancho kiest er voor om bij zijn meester te blijven aangezien die zijn hulp hard nodig heeft na de aanval door de herders. Niet veel later ontdekt hij dat zijn zadeltas ontvreemd is en ontspint zich dezelfde conversatie als aan het begin van dit hoofdstuk over of het niet de hoogste tijd is om nu dan echt naar huis te gaan. Maar zelfs in zijn huidige belabberde toestand wil Don Quichot daar niets van weten:

Al deze stormen die ons over het hoofd gaan zijn tekenen dat de lucht spoedig zal opklaren en dat het ons beter zal gaan; want kwaad noch goed kunnen eeuwiglijk duren, waaruit volgt dat indien de tegenspoed langdurig was, de voorspoed niet veraf kan zijn.
[p.126]

Aldus trekken zij niet veel later verder op zoek naar onderdak voor de nacht. En vraag ik mij af waarom de klap van de windmolens zoveel meer aanspreekt dan deze clash met de schapen.

~ ~ ~

Zondag, 25 november 2018
Maandag, 26 november 2018
Tags:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *