Schapen zijn de nieuwe windmolens

Deze blog­post is deel 19 van 28 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel — acht­tien­de hoofd­stuk
Gaan­de over de gesprek­ken die San­cho Pan­za voer­de met zijn mees­ter Don Qui­chot, bene­vens ande­re avon­tu­ren die wel waard zijn ver­haald te wor­den

Ik haal­de het al eer­der aan. Van de epi­so­de dat Don Qui­chot het gevecht aan­gaat met de wind­mo­lens had ik veel meer ver­wacht. In mijn bele­ving zou het een sleu­tel­scè­ne beho­ren te zijn in de ver­tel­ling over de dolen­de rid­der. Maar het was voor­bij voor­dat ik het in de gaten had.

Ook in late­re hoofd­stuk­ken wordt er (tot nu toe) ver­der niet naar terug­ver­we­zen. Waar­om is dit spe­ci­fie­ke voor­val dan zo type­rend gewor­den voor het ver­haal van Don Qui­chot? Het zal toch niet zo zijn omdat het toe­val­li­ger­wijs al in één van de eer­ste hoofd­stuk­ken aan bod komt? Dat zou wel heel gemak­zuch­tig zijn.

Natuur­lijk weet ik niet wat de meer dan 600 blad­zij­den die ik nog moet lezen in het ver­schiet heb­ben voor onze ver­dwaas­de held maar in hoofd­stuk acht­tien is hij slacht­of­fer van een ver­ge­lijk­ba­re zins­be­goo­che­ling als met de wind­mo­lens. De hier beschre­ven gebeur­te­nis zou net zo goed in aan­mer­king kun­nen komen als voor­beeld hoe­ver Don Qui­chot ver­strikt is geraakt in zijn ‘weer­ga­lo­ze waan­zin’.

Nadat de jonas­sers uit­ein­de­lijk San­cho Pan­za heb­ben laten gaan rei­zen de twee ver­der op weg naar nieu­we avon­tu­ren. Hoe­wel voor San­cho het stil­laan wel­le­tjes is. Het voor­uit­zicht van eeu­wi­ge roem en mis­schien wel een eigen eiland kan hem steeds min­der moti­ve­ren om nieu­we tegen­sla­gen te trot­se­ren. Hij vraagt zich af waar­om ze niet huis­waarts kun­nen keren:

Als ik het eens zeg­gen mag met mijn dom­me her­sens dan zou het maar het bes­te zijn om naar huis te gaan, voor­al omdat het nou toch oogst­tijd is, en ons voort­aan te ver­ma­ken in eigen huis en hof, in plaats van zoals men zegt van het kast­je naar de muur en van hot naar haar te sjou­wen.
[p.121]

Don Qui­chot wil daar van­zelf­spre­kend niets van weten. Met de hem ken­mer­ken­de breed­spra­kig­heid houdt hij San­cho voor dat het slechts een kwes­tie van tijd en een nieuw zwaard is voor­dat het geluk hen zal toe­la­chen. Hij heeft deze woor­den nog niet uit­ge­spro­ken of hij ont­waart aan de hori­zon een stof­wolk. Ook ach­ter hen ver­schijnt er een­tje. Voor Don Qui­chot is het dui­de­lijk. Hier trek­ken twee legers ten strij­de die in de vlak­te elkaar zul­len ont­moe­ten om met elkaar in gevecht te gaan.

Wat volgt is een gede­tail­leer­de opsom­ming door Don Qui­chot van alle belang­rij­ke edel­lie­den die in bei­de kam­pen par­tij heb­ben geko­zen en wie de aan­voer­ders zijn. Ook hier weer valt het con­flict terug te voe­ren op een pri­va­te kwes­tie waar de doch­ter van de ene heer aan­be­den wordt door de ande­re heer die ech­ter een hei­den is en eerst zijn geloof moet afzwe­ren voor­dat hij in aan­mer­king komt om de hand te vra­gen van zijn gelief­de.

Ech­ter.

Het is zijn ver­beel­ding die Don Qui­chot niet voor de eer­ste keer, en waar­schijn­lijk ook niet voor de laat­ste keer par­ten speelt. De stof­wol­ken wor­den niet opge­wor­pen door een gro­te leger­scha­re maar door twee kud­des scha­pen die bij elkaar komen in het dal. Hoe San­cho ook zijn best doet om Don Qui­chot van het tegen­deel te over­tui­gen, de met de dag waan­zin­ni­ger wor­den­de en strijd­lus­ti­ge rid­der heeft maar één doel voor ogen, name­lijk zich in het strijd­ge­woel men­gen om te vech­ten tegen de hei­den­se heer.

En net zoals tegen de wind­mo­lens stormt Don Qui­chot nu in vol ornaat en vol­le over­tui­ging van zijn eigen ono­ver­win­ne­lijk­heid de scha­pen tege­moet om er onmid­del­lijk enke­le met zijn lans dode­lijk te ver­won­den voor­dat de schaaps­her­ders door­heb­ben wat er aan de hand is. Daar­na duurt het niet lang voor­dat ze hem met hun slin­gers vol ste­nen en pit­ten uit het zadel weten te gooi­en en hij ern­stig gewond ter aar­de stort. De her­ders die het idee heb­ben dat hij hier­bij gedood is maken zich schie­lijk met de scha­pen uit de voe­ten voor­dat San­cho ter plaat­se is. Hem rest niet meer dan zijn mees­ter wat op te lap­pen en hem uit te horen of hij echt niet had gezien dat het hier scha­pen betrof.

Don Qui­chot blijft ech­ter bij zijn ver­haal en ver­wijt zijn knecht dat juist hij de din­gen niet ziet zoals ze zijn. Kwam dat voor de aan­val omdat San­cho voor­al bang was:

De angst zit jou zo onder de leden, San­cho’, sprak Don Qui­chot, ‘dat je slecht hoort en ziet; een van de gevol­gen der vrees­ach­tig­heid is immers dat ze de zin­nen ver­wart en ons de din­gen in ande­ren dan den waren schijn ver­toont […]’
[p.124]

Nader­hand had dit te maken met de tover­kun­sten van de leger­aan­voer­ders die in staat zou­den zijn ‘om de din­gen zo te doen ver­schij­nen en ver­dwij­nen’ als zij wil­len om hun tegen­stan­ders zand in de ogen te doen strooi­en. Don Qui­chot advi­seert San­cho de ver­dwij­nen­de kud­de scha­pen te vol­gen ‘en je zult zien dat zij op kor­te afstand van hier hun oor­spron­ke­lij­ke gedaan­te weer zul­len aan­ne­men, en niet lan­ger scha­pen , maar wer­ke­lij­ke men­sen zijn’.

San­cho kiest er voor om bij zijn mees­ter te blij­ven aan­ge­zien die zijn hulp hard nodig heeft na de aan­val door de her­ders. Niet veel later ont­dekt hij dat zijn zadel­tas ont­vreemd is en ont­spint zich dezelf­de con­ver­sa­tie als aan het begin van dit hoofd­stuk over of het niet de hoog­ste tijd is om nu dan echt naar huis te gaan. Maar zelfs in zijn hui­di­ge belab­ber­de toe­stand wil Don Qui­chot daar niets van weten:

Al deze stor­men die ons over het hoofd gaan zijn teke­nen dat de lucht spoe­dig zal opkla­ren en dat het ons beter zal gaan; want kwaad noch goed kun­nen eeu­wig­lijk duren, waar­uit volgt dat indien de tegen­spoed lang­du­rig was, de voor­spoed niet ver­af kan zijn.
[p.126]

Aldus trek­ken zij niet veel later ver­der op zoek naar onder­dak voor de nacht. En vraag ik mij af waar­om de klap van de wind­mo­lens zoveel meer aan­spreekt dan deze clash met de scha­pen.

~ ~ ~