Daar bij die molen, die watermolen…

Deze blog­post is deel 21 van 34 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel – Twin­tig­ste hoofd­stuk:
Over een nooit ter wereld door enig edel­man zó zon­der geva­ren ten ein­de gebracht, onge­hoord en onge­zien avon­tuur, het­welk hier vol­eind werd door de dap­pe­re Don Qui­chot van de Man­cha

De zadel­tas die San­cho van de schaaps­her­ders uit het vori­ge hoofd­stuk ont­vreemd heeft bevat een hoop voed­sel maar helaas geen water. Dus moe­ten ze op zoek naar een plek waar ze de dorst kun­nen les­sen en beslui­ten net zo lang door te rij­den tot ze iets gevon­den heb­ben. San­cho die al zijn leven op het land heeft gewoond ver­moed dat er een beek in de buurt moet zijn gezien het mal­se groe­ne gras dat hij over­al ziet. Tegen mid­der­nacht menen ze dat het niet ver meer kan zijn omdat ze het geluid van val­lend water steeds beter kun­nen onder­schei­den. Wat ze ech­ter ook horen is een geheel ander geluid, dat van ‘zwa­re regel­ma­tig val­len­de sla­gen, en tege­lij­ker­tijd geram­mel van ijzer en kete­nen’.

Don Qui­chot zou Don Qui­chot niet zijn als hij dit niet zou aan­grij­pen als een zoveel­ste aan­lei­ding om zijn onver­schrok­ken­heid te tonen. Voor­dat hij ten strij­de trekt tegen het onbe­ken­de gevaar geeft hij San­cho eerst uit­ge­breid instruc­ties wat deze moet doen in het geval zijn mees­ter niet levend terug zal keren van het strijd­to­neel. Voor San­cho, die de schrik toch al om het hart is gesla­gen is dit reden om Don Qui­chot te over­tui­gen van het feit dat het beter is te wach­ten op het dag­licht. Of, nog beter, ‘rechts­om­keert te maken en het gevaar ont­lo­pen’. Don Qui­chot wil daar van­zelf­spre­kend niets van weten. Dat is zijn eer te na, en daar­om zit er voor San­cho niets anders op dan via een list er voor te zor­gen dat de onge­dul­di­ge rid­der voor­als­nog niet kan ver­trek­ken. In het geniep bindt hij bei­de voor­be­nen van Ros­si­nant bij elkaar zodat deze slechts wat bok­ke­spron­gen kan maken in plaats van galop­pe­ren. In het duis­ter viel deze sabo­ta­ge geluk­kig niet op bij Don Qui­chot die in vol ornaat hoog geze­ten op zijn paard zich neer­legt bij de situ­a­tie in afwach­ting tot het eer­ste dag­licht.

Om de tijd te doden besluit San­cho een ver­haal te ver­tel­len dat rede­lijk vreemd in elkaar steekt. Het begint er al mee dat San­cho er rede­lijk lang over doet om het ver­haal in te lei­den. Iets wat Don Qui­chot nog meer onge­du­rig maakt en hem maant wat op te schie­ten. Maar San­cho heeft daar geen oren naar en beroept zich op de ver­tel­tra­di­tie uit zijn streek waar ze ‘zul­ke ver­ha­len juis­te­ment ver­tel­len op de manier dat ik het ver­tel’. Niet veel later beschrijft hij een her­de­rin zo beel­dend dat Don Qui­chot zich terecht afvraagt of hij haar mis­schien gekend heeft:

Nee, gekend heb ik haar niet’, ant­woord­de San­cho; ‘maar de man die mij dit ver­haal ver­teld heeft, zei dat het zo waar­lijk en waar­ach­tig gebeurd was dat ik als ik het ande­ren ver­tel­de best bewe­ren en zelfs bezwe­ren mocht dat ik alles zelf had mee­ge­maakt.
[p.135]

Hal­ver­we­ge (althans zo lijkt het) is er een epi­so­de waar de gei­ten­hoe­der (als cen­tra­le per­soon in de ver­tel­ling) met zijn kud­de een rivier dient over te ste­ken. Een vis­ser die daar­bij kan hel­pen heeft in zijn boot­je ech­ter slechts plaats voor één geit. San­cho begint ver­vol­gens uit­ge­breid te beschrij­ven hoe vaak de vis­ser op en neer moet en vraagt Don Qui­chot de tel bij te hou­den. Als die op een gege­ven moment wan­neer San­cho er naar vraagt niet pre­cies kan aan­ge­ven hoe­veel gei­ten er al over­ge­zet zijn is het ver­haal afge­lo­pen.

Hoe zo?’ zie Don Qui­chot. ‘Komt het er bij deze geschie­de­nis zo nauw op aan hoe­veel gei­ten er over­ge­va­ren zijn, dat als een mens den tel kwijt­raakt, jij het ver­haal niet ver­der kunt ver­tel­len?’
‘Neen, heer, dat kan niet’, ant­woord­de San­cho; ‘want toen ik Ued. vroeg mij te ver­tel­len hoe­veel gei­ten er over waren en u zei dat u het niet wist, wist ik op het eigen ogen­blik niet meer over hoe­veel ik er nog ver­tel­len moest, en ik kan u ver­ze­ke­ren dat het een best en aar­dig ver­haal was.’
[p.136]

Met dit soort con­ver­sa­ties en ande­re zaken bren­gen ze de nacht door tot­dat bij het eer­ste och­tend­glo­ren Don Qui­chot dan toch ein­de­lijk zijn uit­ge­stel­de aan­val kan inzet­ten. Een laat­ste poging van San­cho om hem op ande­re gedach­ten te bren­gen is ver­spil­de moei­te. Zelfs dat hij in hui­len uit­barst kan zijn mees­ter niet ver­mur­wen, hoe­wel het wel totaal onver­wachts de vol­gen­de ter­zij­de ople­vert voor de ver­bou­we­reer­de lezer:

Uit deze tra­nen en dit hoogst eer­zaam voor­ne­men van San­cho Pan­za besluit de schrij­ver van deze geschie­de­nis dat hij van zeer goe­de afkomst moet geweest zijn en gebo­ren uit chris­te­lij­ke voor­za­ten die zich niet met joden, moren of ande­re hei­de­nen had­den ver­mengd.
[p.138]

Als een soort van anti­cli­max spurt Don Qui­chot in het laat­ste gedeel­te van dit hoofd­stuk bij het och­tend­glo­ren op het onheil­spel­len­de geluid om al snel te mer­ken dat het ver­oor­zaakt wordt door de zwa­re schoe­pen van een water­mo­len. Dit­maal laat hij zich niet door zijn ver­beel­ding op stang jagen door te den­ken dat het weder­om een mach­tig leger is wat hem uit­daagt maar berust hij ver­sla­gen op zijn paard dat hij zich deer­lijk ver­gist heeft in de aard van het lawaai dat hem de hele nacht par­ten had gespeeld. Bij San­cho Pan­za komt alle span­ning er in een keer uit en hij kan niet laten zijn mees­ter bela­che­lijk te maken hoe die vuri­ge rede­voe­rin­gen hield om zich­zelf op te pep­pen de strijd aan te gaan met wat nu slechts een water­mo­len blijkt te zijn. Don Qui­chot grijpt dit aan om zijn knecht terecht te wij­zen en hem te gebie­den iet­wat meer eer­bied voor zijn mees­ter te tonen ‘want na zijn ouders moet men zij­ne mees­ters eer­bie­di­gen als­of ook zij ouders waren.’

~ ~ ~

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *