Dolende ZZPer

Deze blog­post is deel 22 van 33 in de serie Don Qui­chot — Cer­vantes

Eerste deel – Eenen­twintig­ste hoofd­stuk:
Het­welk han­delt over het ver­heven avon­tu­ur en de grootse wijze waarop de helm van Mam­bri­no werd buit­ge­maakt, mits­gaders over andere zak­en die onze onover­win­nelijke rid­der overk­wa­men

Na de enigszins beschamende afgang bij de water­molen besluiten Don Qui­chot en San­cho snel verder te trekken op zoek naar nieuwe avon­turen. Die lat­en niet lang op zich wacht­en. In de verte zien ze een ruiter aankomen met een hoofd­dek­sel dat wegens de schit­ter­ing door het felle zon­licht door Don Qui­chot ver­ward wordt met een gouden helm. Ook hier maakt hij weer aller­lei ref­er­en­ties naar fic­tieve per­son­ages waarover hij gelezen heeft. Er zit voor hem niets anders op dan onmid­del­lijk tot de aan­val over te gaan want ooit heeft hij de eed afgelegd koste wat kost deze gouden helm bij de recht­matige eige­naar terug te bezor­gen.

Als het stof is opgetrokken is de ruiter gevlucht met achter­lat­ing van helm en paard, waar­bij aangetek­end dient te wor­den dat het paard een ezel blijkt te zijn en de helm een scheerkom door kap­pers in die tijd gebruikt. Want ja, de ruiter was een kap­per die onder­weg naar een ander dorp om daar zijn ambacht te kun­nen uitoe­fe­nen de scheerkom als bescherming tegen een regen­bui en lat­er de zon had gebruikt. Wan­neer San­cho ver­vol­gens te horen kri­jgt dat het niet de gewoonte is om de buit­ge­maak­te ezel te houden begint hij ern­stige twi­jfels te kri­j­gen of hem echt wel zoveel rijk­dom en glo­rie in het ver­schi­et ligt als wat Don Qui­chot hem al die tijd deed voorhouden.

Hardop vraagt hij zich af of ze niet beter af zouden zijn door in dienst te tre­den van een machtig man of kon­ing,

en in wiens dienst Ued. de moed van uw per­soon kon tonen en uw grote kracht en schit­terend ver­stand; want als de heer in wiens dienst wij zijn daar achterkomt, zal hij ons vast en zek­er ieder naar zijn ver­di­en­sten moeten lonen, en daar hebben ze ook wel iemand die Ueds. helden­daden te boek stelt ter eeuwiger gedacht­e­nis.
[p.144]

Don Qui­chot, die eerder aangegeven had dat San­cho het beter kort kon houden ‘want nie­mand hoort graag lang gere­dekav­el’, heeft bij­na twee volle bladz­i­jdes nodig om te schet­sen dat hoewel het idee van zijn ongeduldige knecht niet slecht is, hij allereerst naam en faam zal moeten ver­w­er­ven, zodat ‘wan­neer hij zich naar het hof van een groot heer begeeft alreeds bek­end is door zijne werken’. Dit alles weet hij zo over­tu­igend te vertellen dat San­cho bin­nen de kort­ste keren al zijn eerdere bedenkin­gen ver­geten is en hele­maal mee­gaat in de fan­tasiew­ereld door Don Qui­chot zo lev­endig uit de doeken gedaan. Zon­der de ezel van de over­won­nen kap­per maar wel met het nieuwere halsel waar­voor zelfs Don Qui­chot geen reden kan verzin­nen waarom dat niet geruild mag wor­den tegen het ver­sleten tuig dat de ezel van San­cho draagt, trekken ze verder naar het vol­gende hoofd­stuk.

~ ~ ~

Series Nav­i­ga­tion« Daar bij die molen, die water­molen…Ste­nen voor dank »

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Tags

(all tags)

Tweets