De man in de bergen

Deze blog­post is deel 24 van 33 in de serie Don Qui­chot — Cer­vantes

Eerste deel – Drieën­twintig­ste hoofd­stuk:
Over het­geen de ver­maarde Don Qui­chot overk­wam in de Sier­ra More­na, het­welke een der zon­der­ling­ste avon­turen is geweest die in deze ware en waarachtige geschiede­nis wor­den ver­haald

Voor de veran­der­ing laat Don Qui­chot zich over­halen door zijn knecht om net als de ondankbare boeven die zij bevri­jd had­den beter ook de komst van de Her­man­dad niet af te wacht­en. Maar niet nadat San­cho heeft moeten beloven dat hij ‘nooit ofte nim­mer, lev­end of dood, tegen enig mens zult zeggen, dat ik (Don Qui­chot dus) dit gevaar ontweek en ver­meed uit angst en vreze; dit geschied­de alleen van­wege je smeekbe­den.’ Het is San­cho om het even, als ze maar weg kun­nen.

Om zek­er te zijn dat ze uit han­den van de poli­tie zullen bli­jven kiezen ze ervoor om een schuilplaats te zoeken in een nabij gele­gen gebergte. Met de pro­viand die San­cho enkele hoofd­stukken gele­den heeft weten te ont­fut­se­len van de geestelijken kun­nen ze nog wel een aan­tal dagen vooruit. En zo trekken ze als­maar dieper het gebergte in tot­dat ze een plek hebben gevon­den die uiter­mate geschikt is om de nacht door te bren­gen. Toe­val­liger­wi­jze is het ook de plek waar de boeven­bende rond­dwaalt om niet opnieuw opgepakt te wor­den. En wederom tonen ze hun ware aard door heimelijk de ezel van San­cho te ste­len daar het paard Rossi­nant in hun ogen, vel over been dat het was, geen enkele waarde verte­gen­wo­ordigde.

Zo kon het zijn dat bij het aan­breken van de dag een van onze twee helden noodged­won­gen de reis te voet moest voortzetten. Don Qui­chot wist niets anders te doen dan een schenk­ings­brief te schri­jven waarmee San­cho recht had op drie van de vijf ezels die Don Qui­chot in bez­it had. Thuis wel­tev­er­staan.

Het geluk lacht San­cho even­wel lat­er die dag toe. Op hun tocht door de bergen vin­den ze een door weer en wind ver­gane reiskof­fer. Blijk­baar lang gele­den achterge­lat­en door een reiziger die zich inmid­dels alweer in andere verre oor­den zou bevin­den of miss­chien zelf half ver­gaan op de bodem van een rav­i­jn de laat­ste adem had uit­ge­blazen. Voor San­cho maak­te het niet uit want buiten enkele schone kled­ingstukken en een dag­boek ont­dek­te hij ook een verza­mel­ing gouden munten. Dat com­penseerde in zijn ogen ruim­schoots de ellende die hem tot nu toe ten deel was gevallen. Vol geestdrift zocht hij verder naar meer waarde­volle spullen.

Don Qui­chot echter was alleen geïn­ter­esseerd in het dag­boek. Nadat hij het van voor naar achter en weer terug had doorgelezen, was hij helaas niet veel wijz­er gewor­den ‘behalve dat hij (de oor­spronke­lijke eige­naar van de reiskof­fer) een afgewezen min­naar schi­jnt te zijn.’ Wan­neer ze verder trekken zien ze niet veel lat­er een half­naak­te man hoger in de bergen van rots naar rots sprin­gen en zich snel uit de voeten mak­en. Het lijkt Don Qui­chot dat dit de man van het dag­boek en de reiskof­fer is. Vanzelf­sprek­end wil hij de man achter­na om te achter­halen wie hij is en wat hem is overkomen. San­cho is daar om andere rede­nen niet hap­pig op:

Het zou veel beter zijn maar niet naar hem te zoeken; want als wij hem vin­den en hij is werke­lijk de eige­naar van het geld, dan moet ik dat natu­urlijk teruggeven; en daarom lijkt het mij beter dat ik het zon­der al die onn­odi­ge romp­slomp als eerlijke vin­der houd tot de ware eige­naar gewoon­weg en zon­der rarighe­den komt opda­gen; miss­chien gebeurt dat wel eerst als ik het al heb uit­gegeven, en waar niet is ver­li­est de keiz­er zijn recht.’
[p.162]

Omdat Don Qui­chot het als hun ver­plicht­ing ziet de man op te sporen en het geld terug te geven om elk ver­moe­den van dief­stal te ver­mi­j­den zit er ook voor San­cho niets anders op dan zijn meester te vol­gen. Via een herder die ze nog dezelfde dag ont­moeten leren ze hoe een zestal maan­den terug er plots een knappe jonge­man ver­scheen die wilde weten waar ‘het gebergte het wildst en onbe­gaan­baarst was.’ Sinds­di­en zwerft hij daar rond, steeds meer ver­wilderd en bij tijd en wijle komt hij tevoorschi­jn om dan weer om eten te vra­gen en een andere keer om het met geweld te ont­fut­se­len. Voor de herder staat vast dat de jonge­man aan vla­gen van raz­ernij leed en ze had­den onlangs het plan opgevat hem te over­meesteren en naar de dichts­bi­jz­i­jnde stad te bren­gen waar hij miss­chien geholpen kon wor­den.

Laat nu toch juist op dat ogen­blik de jonge­man opda­gen waar zij naar op zoek waren. Schi­jn­baar in een goede bui maak­te hij zich niet uit de voeten maar kwam nader­bij alwaar hij zich bij het gezelschap voegde en zijn ver­haal deed dat verder beschreven wordt in het vol­gende hoofd­stuk.

~ ~ ~

Series Nav­i­ga­tion« Ste­nen voor dankDon Qui­chot kon het weer niet lat­en »

Geef een reactie