Don’t mention the ridderschap!

Deze blog­post is deel 31 van 32 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel – Der­tig­ste hoofd­stuk:

Gaan­de over de gevat­heid van de scho­ne Doro­tea en ande­re aar­di­ge en ver­ma­ke­lij­ke aan­ge­le­gen­he­den

Voor wie vori­ge week zon­dag ver­geefs heeft zit­ten wach­ten op een nieuw deel­tje in deze almaar groei­en­de reeks over het boek Don Qui­chot door Cer­van­tes wil ik graag mijn excu­ses aan­bie­den. Het had een sim­pe­le reden: ik had een paar daag­jes vrij­af geno­men op don­der­dag en vrij­dag en trok dat vakan­tie­ge­voel door naar het week­end. Pas laat op de zon­dag­avond bij het naar bed gaan rea­li­seer­de ik me hoe ik in gebre­ke was geble­ven. Sor­ry.

Deze keer een kor­ter hoofd­stuk dan de voor­gaan­de keren. Ik dacht dat zich een nieu­we trend had inge­zet en dat kan natuur­lijk nog steeds het geval zijn en dan is dit hoofd­stuk slechts een uit­zon­de­ring. We gaan het zien.

De draad wordt opge­pakt met het ver­haal van de pas­toor die over­val­len was door de ben­de mis­da­di­gers die door tus­sen­komst van Don Qui­chot wis­ten te ont­snap­pen op weg naar hun lot als gal­lei­slaaf. Hoe­wel Don Qui­chot slim genoeg was om hier maar beter zijn mond over te hou­den was dit niet het geval voor San­cho Pan­za. Hij klap­te par­does uit de school door de rol van zijn mees­ter in geu­ren en kleu­ren te beschrij­ven die daar van­zelf­spre­kend niet blij van werd.

Stom­me­ling’, zei Don Qui­chot daar­op, ‘voegt of past het dolen­den rid­ders uit te vor­sen of de ver­druk­ten, de geknech­ten en de geke­ten­den die zij op hun­ne wegen ont­moe­ten zo huns weegs gaan en in deze ellen­de ver­ke­ren wegen hun schuld of wegens hun ver­dien­ste? Hun eni­ge taak is hen als hulp­be­hoe­ven­den bij te staan en daar­bij reke­ning te hou­den met hun lij­den en niet met hun schel­me­rij­en. [p.224]

In het nauw gebracht door de uit­spra­ken van San­cho ging Don Qui­chot zelfs zover dat hij de pas­toor begon te betich­ten niet op de hoog­te te zijn van de nobe­le ver­plich­tin­gen die gepaard gaan met het rid­der­schap en hij zou hem zelfs te lijf zijn gegaan als Doro­tea (waar­van hij dacht dat ze een prin­ses op de vlucht was die zijn hulp nodig had) niet op het aller­laat­ste moment er in slaag­de zijn aan­dacht te trek­ken door hem aan zijn belof­te te her­in­ne­ren de reus in haar vader­land te komen ver­slaan zodat zij als­nog aan­spraak kon maken op de troon harer vader.

Met veel fan­ta­sie ver­tel­de zij over haar lot­ge­val­len nadat haar ouders waren komen te over­lij­den. Met de hulp van de pas­toor die af en toe moest bij­sprin­gen om de ver­zin­sels enigs­zins recht te pra­ten om de arg­waan van Don Qui­chot niet te wek­ken ver­zon zij ter plek­ke een hele fami­lie­ge­schie­de­nis waar­in haar vader op mys­te­ri­eu­ze wij­ze voor­ken­nis had weten te ver­krij­gen van al wat prin­ses Mico­mi­co­na (Doro­tea dus) zou over­ko­men na het heen­gaan van haar vader en moe­der. Inclu­sief de ont­moe­ting met een dolen­de rid­der waar­van de hel­den­da­den al door­ge­dron­gen waren tot over­zee­se gebie­den.

Het was koren op de molen van zowel Don Qui­chot als San­cho Pan­za die zich­zelf al rijk reken­de, zeker toen hij hoor­de dat de hel­der­zien­de vader van Mico­mi­co­na ook nog had gezien dat de held­haf­ti­ge rid­der na het ver­ja­gen van de reus met zijn doch­ter in het huwe­lijk zou tre­den. Dat leid­de weer tot de vol­gen­de ruzie tus­sen mees­ter en knecht omdat Don Qui­chot niets wil­de horen van zulk een beschik­king. Hij was immers voor­be­stemd om ooit te huwen met de scho­ne Dul­ci­nea en nie­mand anders.

Zij strijdt door mij en tri­om­feert door mij en ik leef en adem door haar en dank haar leven en bestaan.

De ande­re aan­we­zi­gen volg­den deze woor­den­wis­se­ling (gepaard gaan­de met enke­le fel­le sla­gen van zijn lans door Don Qui­chot rich­ting zijn knecht) op gepas­te afstand en zij kon­den het niet laten zich te ver­ba­zen over ‘de zot­ter­nij van de mees­ter en de onno­zel­heid van de knecht’, zeker voor wat hun goed­ge­lo­vig­heid betrof met betrek­king tot het ver­haal door Doro­tea zo kun­dig gebracht. Was het ‘alleen omdat zij in de trant en op de manier van de dwaas­he­den uit zijn boe­ken wor­den opge­dist?’ De pas­toor kon er niet over uit.

En wat nog vreem­der is’, zei de pas­toor, ‘afge­zien van de dwaas­he­den die deze bra­ve hidal­go uit­slaat en die men aan zijn krank­zin­nig­heid kan wij­ten rede­neert hij, als men hem over ande­re aan­ge­le­gen­he­den spreekt met zeer goed geko­zen woor­den en toont in alles een hel­der en gezond ver­stand; zolang men maar niet met hem over de rid­der­schap begint, zal ieder­een hem voor een hoogst rede­lijk mens hou­den.’

Nu zou ik niet zover wil­len gaan om Don Qui­chot als ‘een hoogst rede­lijk mens’ te bestem­pe­len, maar ik kan wel vin­den in de con­sta­te­ring van mijn­heer de pas­toor. Don Qui­chot blijkt over een zeer scher­pe geest te beschik­ken die ech­ter zodra het onder­werp van rid­ders en het rid­der­schap te spra­ke komt ogen­blik­ke­lijk ver­troe­beld en zijn zicht op de rea­li­teit doet ver­dwij­nen. Ik vind het een fas­ci­ne­rend gege­ven hoe dit in deze roman wordt uit­ge­werkt.

~ ~ ~

Series Navi­ga­ti­on« Alles komt samenLaat me met rust! »
0

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *