Laat me met rust!

Deze blog­post is deel 32 van 32 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel – Een­en­der­tig­ste hoofd­stuk:

Over de kos­te­lij­ke gesprek­ken die gevoerd wer­den tus­sen Don Qui­chot en San­cho Pan­za, zijn schild­knaap, en wat er meer volgt

Ter­wijl het gezel­schap nog steeds onder­weg is naar het dichts­bij­zijn­de dorp om Don Qui­chot de hulp te bie­den die hij drin­gend nodig heeft (hoe­wel hij dat zelf zal ont­ken­nen) wil hij nu toch wel eens weten hoe het gesprek is gegaan tus­sen zijn knecht San­cho en zijn aan­be­den Dul­ci­nea. Het brengt San­cho in een moei­lij­ke situ­a­tie gezien hij de vrouw nog nooit eer­der heeft ont­moet, laat staan dat hij de brief van Don Qui­chot aan haar heeft weten te over­han­di­gen van­we­ge de toe­val­li­ge ont­moe­ting met de pas­toor en de bar­bier bij de her­berg.

Het lukt San­cho ech­ter om met veel fan­ta­sie zijn mees­ter te doen gelo­ven dat hij wel dege­lijk in het zeer kor­te tijds­be­stek op en neer is geweest om te ver­tel­len hoe het met haar aan­bid­der gesteld is. Wat hier­bij zeker hielp is dat Don Qui­chot waar nodig zelf de opval­len­de hia­ten in de leu­gens van San­cho wist op te vul­len met cre­a­tie­ve bedenk­sels om zo een slui­tend ver­haal tot stand te bren­gen. Want ook nu prikt zijn scher­pe geest met­een door de bedenk­sels van San­cho en de onmo­ge­lijk­heid om haar te heb­ben bezocht in slechts drie dagen.

Zodoen­de, bes­te San­cho, valt het mij ook in het geheel niet moei­lijk te gelo­ven dat je in zo kor­te tijd van­hier naar El Tobo­so en terug bent geweest; want, zoals ik al gezegd heb, een bevrien­de tove­naar zal je wel door de lucht heb­ben laten vlie­gen, zon­der dat jij er van wist. [p.232]

Ver­vol­gens gaat het gesprek over de belof­te die Don Qui­chot gedaan heeft om Doro­tea aka prin­ses Mico­mi­co­na te hel­pen haar konink­rijk terug te ver­o­ve­ren tegen­over het ver­lan­gen om zijn gelief­de Dul­ci­nea op te zoe­ken. San­cho ziet niets lie­ver dan dat de held­haf­ti­ge rid­der de strijd met de reus aan­gaat en na zijn roem­rij­ke over­win­ning in het huwe­lijk zal tre­den met de prin­ses. Op die manier denkt hij voor zich­zelf een hoop rijk­dom en aan­zien vei­lig te stel­len als belo­ning voor zijn bij­dra­ge in de strijd als schild­knaap. Don Qui­chot wil ech­ter nog steeds niets weten van een trouw­par­tij aan­ge­zien voor hem er maar één vrouw is waar hij zijn hart aan heeft ver­pand en dat is Dul­ci­nea.

Het gesprek wordt onder­bro­ken door de komst van een nieu­we rei­zi­ger die ze bij toe­val ont­moe­ten tij­dens een rust­pau­ze bij een bron waar ze hun dorst kun­nen les­sen. Het blijkt de jon­gen te zijn die Don Qui­chot een hele tijd gele­den hulp had gebo­den toen hij afge­ran­seld werd door de boer waar hij in dienst was alleen maar omdat hij om zijn loon had gevraagd. Het is de per­fec­te aan­lei­ding voor onze nobe­le rid­der om uit­ge­breid stil te staan bij zijn rol en van zijns gelij­ken ‘die het onrecht recht­ma­ken en de onrecht­vaar­dig­heid wre­ken wel­ke de geweld­da­di­gen en ver­dor­ven die er op leven er in uit­rich­ten’.

Helaas voor Don Qui­chot denkt de jon­ge­man hier toch heel anders over. Niet lang nadat zijn red­der was ver­trok­ken had de boer hem opnieuw vast­ge­bon­den en was ver­der gegaan met de afran­se­ling zon­der zich te hou­den aan de belof­te gedaan rich­ting Don Qui­chot om geza­men­lijk huis­waarts te keren en de boe­ren­knecht het geld te over­han­di­gen dat hem rech­te­lijk toe­kwam voor geda­ne dien­sten. En dat was alle­maal de schuld van­we­ge de ingreep door Don Qui­chot die dit ech­ter niet met hem eens is, hoog­uit dat hij de fout had gemaakt om weg te rij­den.

Ik had dat niet moe­ten doen aleer hij je betaald had; ik had met mijn jaren­lan­ge erva­ring moe­ten weten dat geen dor­per zijn gege­ven woord gestand doet als hij ziet dat zijn voor­deel elders ligt. [p.234]

Dit zeg­gen­de her­in­nert hij zich ook dat hij de jon­gen gezwo­ren had de boer ach­ter­na te gaan tot in alle uit­hoe­ken van de wereld indien hij niet zou beta­len en dat is wat hij nu van plan is te gaan doen. Het is Doro­tea die hem doet wij­zen op zijn gelof­te haar toch aller­eerst te hel­pen voor­dat hij zich weer in ande­re avon­tu­ren kan stor­ten. Schoor­voe­tend geeft Don Qui­chot haar gelijk en laat de jon­gen weten dat hij nog wat geduld moet heb­ben. Met slechts wat brood en kaas als tij­de­lij­ke com­pen­sa­tie ziet die ech­ter wel in dat hij niet veel te ver­wach­ten heeft van Don Qui­chot of de rest van het gezel­schap en maakt zich daar­om snel uit de voe­ten met een laat­ste ver­wen­sing aan het adres van de hulp­vaar­di­ge rid­der om van zijn levens­da­gen nooit meer tegen te komen. En mocht dat onver­hoopt toch gebeu­ren,

ver­leent u mij dan als het u belieft geen hulp of bij­stand, al ziet u dat ik in stuk­ken gehakt word: laat u mij maar rus­tig in mijn onge­luk, want het kan nooit zo groot wezen of U Eds. hulp maakt het nog erger; en God straf­fe U Ed. en alle dolen­de rid­ders ter wereld. [p.234]

En weg is hij, Don Qui­chot beschaamd ach­ter­la­tend.

~ ~ ~

Series Navi­ga­ti­on« Don’t men­ti­on the rid­der­schap!
0

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *