Zo waar als het gedrukt staat

Deze blog­post is deel 33 van 34 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel – Twee­ën­der­tig­ste hoofd­stuk:

Het­welk han­delt over het­geen Don Qui­chot en gans zijn gezel­schap in de her­berg over­kwam

Ein­de­lijk komt het gezel­schap bij de her­berg aan waar Don Qui­chot en San­cho al eens eer­der op hun tocht onder­dak had­den gevon­den (waar­bij de dolen­de rid­der zelfs het idee had dat het hier een kas­teel betrof). Er wordt aller­eerst een kamer voor Don Qui­chot in orde gebracht zodat hij zich te rus­te kan bege­ven ter­wijl de rest aan­schuift voor een avond­maal. Omdat San­cho eerst nog wat ande­re klus­jes moet afhan­de­len gaan de gesprek­ken aan tafel al snel over de ver­meen­de gek­kig­heid van onze in die­pe rust ver­ke­ren­de held.

Ieder voor zich zijn ze er vol­le­dig van over­tuigd dat er bij Don Qui­chot iets niet hele­maal in orde is in zijn boven­ka­mer, maar toen de pas­toor aan­gaf dat er een dui­de­lijk ver­band is met de vele rid­der­ro­mans die Don Qui­chot gele­zen had was de waard het daar toch niet hele­maal mee eens:

Ik begrijp niet hoe dat kan; want waar­ach­tig, voor zover ik er ver­stand van heb, is er niets beters ter wereld om te lezen en ik heb er hier zelf een stuk of drie en nog wat ande­re geschrif­ten ook, die mij wer­ke­lijk het hart ver­heugd heb­ben [p.236]

Het is aan­lei­ding voor de tafel­ge­no­ten om enthou­si­ast te ver­tel­len hoe ze ieder voor zich kun­nen genie­ten van de ver­schil­len­de aspec­ten die in de rid­der­ro­mans voor­bij komen. Zo is de waard erg onder de indruk van de vele vecht­par­tij­en, ter­wijl zijn doch­ter voor­al kan genie­ten van de lief­des­pe­ri­ke­len waar­bij ze voor­al mede­lij­den heeft met de rid­ders die altijd maar weer in het onge­wis­se wor­den gehou­den door hun onbe­reik­ba­re gelief­des.

Wan­neer de pas­toor vraagt of de waard de boe­ken kan laten zien die hij in zijn bezit heeft velt hij al snel het oor­deel dat het beter is dat twee van de drie op de brand­sta­pel zou­den moe­ten, name­lijk de fic­tie­ve rid­der­ro­mans. De beschrij­ving van het leven van een his­to­ri­sche per­soon (Gran Capi­tan Gon­za­lo Fer­nán­dez de Cór­do­ba) mag wat hem betreft terug in de kast omdat het op waar­heid is geba­seerd. De waard is het daar vol­strekt niet mee eens en begint uit­voe­rig en vol enthou­si­as­me te ver­tel­len hoe de avon­tu­ren van de fic­tie­ve rid­ders toch in hoge mate de hel­den­da­den van de Gran Capi­tan over­stij­gen. Als hij hoog opgeeft over hoe één van die rid­ders op de rug van een zee­slang geze­ten om deze met blo­te han­den te wur­gen en zelfs hier­mee door­gaat ter­wijl het dier onder water ver­dwijnt begin­nen de rei­zi­gers zich af te vra­gen of hij niet ook besmet is met dezelf­de krank­zin­nig­heid als Don Qui­chot.

De pas­toor pro­beert hem voor­zich­tig uit te leg­gen dat er een ver­schil is tus­sen fic­tie en waar­ge­beur­de geschie­de­nis maar het is aan dove­mans­oren gericht. Een belang­rijk argu­ment voor de waard is dat de rid­der­ro­mans gedrukt zijn ‘met ver­lof van de heren van de Konink­lij­ke Raad, en dat zijn men­sen die zoveel leu­gens bij elkan­der zou­den laten druk­ken en zoveel veld­sla­gen en zoveel beto­ve­rin­gen, dat zij een mens het hoofd op hol bren­gen’. Dat het hier gaat om een onschul­di­ge vorm van ver­po­zing op die moment dat er niet gewerkt hoeft te wor­den wil er bij de waard niet in, en het sterkt de pas­toor alleen maar meer in zijn over­tui­ging dat het juist ver­re van onschul­dig is dit soort boe­ken te ver­sprei­den. Hij ziet ech­ter wel in dat het geen nut heeft om de waard op ande­re gedach­ten te bren­gen en laat zijn plan varen om de boe­ken te ver­bran­den waar­bij hij ech­ter wel de waard op het hart drukt niet zo ver te gaan als Don Qui­chot in zijn waan.

Dat nooit’, ant­woord­de de waard, ‘ik zal niet zo gek zijn voor dolend rid­der te gaan spe­len; want ik weet best dat het heden ten dage heel anders in de wereld toe­gaat dan het toe­ging in de tijd toen naar men zegt, die beroem­de rid­ders over de wereld zwier­ven.’ [p.240]

San­cho, die zich onder­tus­sen bij het gezel­schap had gevoegd is ver­bijs­terd als hij hoort dat een dolen­de rid­der iets is uit lang ver­vlo­gen tij­den en hij besluit om voor zich­zelf na te gaan of er eigen­lijk wel iets voor te halen valt als knecht van Don Qui­chot.  Zo niet, dan is het mis­schien beter huis­waarts te keren en zijn gezin weer op te zoe­ken.

Ter­wijl San­cho in gedach­ten ver­zon­ken is ont­dekt de pas­toor naast de boe­ken die de waard hem heeft gebracht nog een ander hand­ge­schre­ven werk met als titel Het ver­haal van de Onge­past Nieuws­gie­ri­ge. Na wat over en weer gepraat is ieder­een het erover eens dat het een mooie afslui­ting van de dag zou zijn indien de pas­toor dit ver­haal zou voor­le­zen. In het vol­gen­de hoofd­stuk zal dit geschie­den.

~ ~ ~

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *