De duizelingwekkende jaren – 1900: De dynamo en de maagd

Deze blogpost is deel 14 van 16 in de serie Cultuurwetenschappen

Het eerste hoofdstuk uit De duizelingwekkende jaren opent met een uitgebreide beschrijving van de Wereldtentoonstelling in Parijs. Niet die van 1889 waarvoor de Eifeltoren opgericht werd, maar de editie van 1900. Aan de hand van een Duitse onderwijzer met de prachtige Franse naam Jean Sauvage worden we meegevoerd door de straten van Parijs en over het enorme tentoonstellingsterrein. Wat hij zag overtrof zijn stoutste verwachtingen.

Een andere bezoeker die overdonderd was door al het technisch vernuft dat hier tentoongesteld werd was de Amerikaanse historicus en romanschrijver Henry Adams (1838-1918). Vooral de dynamo’s in de Machinegalerie maakten een diepe indruk op hem:

Toen hij wat begon te wennen aan die grote galerie vol machines, ging hij die twaalf meter hoge dynamo’s als een morele kracht beschouwen, vergelijkbaar met hoe de vroege christenen het kruis waren gaan zien. De planeet zelf leek opeens minder indrukwekkend, met zijn ouderwetse, vertrouwde, jaarlijkse en dagelijkse omwentelingen, naast dit enorme wiel dat bijna binnen handbereik en zonder geluid met duizelingwekkende snelheid ronddraaide.

De duizelingwekkende jaren, p.23-24
de Machinegalerie – Wereldtentoonstelling 1900

Als je dit zo leest ben je geneigd te denken dat het een en al optimistisch vooruitgangsgeloof was wat de klok sloeg rond 1900. Maar dat blijkt toch niet het geval te zijn, en in die zin is het voorbeeld van de Wereldtentoonstelling door Philipp Blom heel bewust gekozen. Want deze tentoonstelling liet twee verschillende gezichten zien.

Die van een ‘onstuitbaar, zelfbewust modernisme’ hebben we al leren kennen, maar zij ging schuil achter ‘de torentjes, putti en rococokrullen van de officiële tentoonstellingsarchitectuur’ en deze was overduidelijk op het verleden gericht.

De nationale paviljoens lieten duidelijk zien welk beeld Europa en de Verenigde Staten van zichzelf wensten uit te dragen, want met uitzondering van Finland (aanwezig met een golvend art nouveau-gebouw) hadden alle landen ervoor gekozen zichzelf te presenteren met pastiches op historische bouwstijlen […] De identiteit van een land, zo suggereerden deze gebouwen, bestond uit een ver verleden, of dat nu in de oude naties was of in de Nieuwe Wereld.

De duizelingwekkende jaren, p.21-22

Waar kwam deze tweeslachtigheid vandaan? Bij Blom lezen we dat de wereld in hoog tempo aan verandering onderhevig was en dat dit een hoop onzekerheid met zich meebracht en dan met name in Frankrijk. Het aanzien van deze trotse natie was flink aangetast door de verloren oorlog tegen Duitsland. Niet alleen had keizer Napoleon III afstand moeten van de troon, er was ook gebiedsverlies (Elzas-Lotharingen) en gezichtsverlies (de kroning van de Duitse keizer in Spiegelzaal van Versailles). Bovenop deze twijfels aan eigen kunnen en de bedreiging van buitenaf zag het er tevens naar uit dat de bevolkingsgroei ver achter bleef in vergelijking met de rest van Europa.

Nostalgie en een verheerlijking van het glorieuze verleden gedijen dan goed, waarbij tevens het zoeken naar zondebokken niet lang op zich laat wachten. Het hoeft geen verbazing te wekken dat in bepaalde kringen de jodenhaat al snel toenam middels de link die gelegd werd met de modernisering van de maatschappij, de vermeende rol die joden hierin hadden en de afbreuk aan de oude samenlevingsvormen die dat met zich meebracht.

De Dreyfusaffaire balde al deze ongenoegens in zich samen en stond als zodanig symbool voor het Franse onbehagen. Ik ga hier verder niet op in maar volsta met een verwijzing naar Wikipedia. Wel wil ik de anekdote delen die Blom beschrijft over hoe de schrijver Émile Zola aan zijn einde kwam. Als vurig pleitbezorger van de onschuld van Dreyfus publiceerde hij het pamflet J’accuse! en moest niet lang daarna zijn heil tijdelijk zoeken in Londen totdat de gemoederen wat bedaard waren. Eenmaal weer terug in Parijs kwam hij enkele jaren te overlijden aan rookvergiftiging. Niet doordat een schoorsteen verstopt was geraakt zoals men aanvankelijk dacht, maar doordat een dakbedekker de schoorsteen moedwillig had afgedekt als wraak.

Over schrijvers gesproken, Blom legt een verband tussen de nostalgie die er bij velen was en hoe die in zijn ogen vergiftigd werd door de wetenschap dat een tijdperk ten einde was, zonder te weten wat er op zou volgen. De veranderingen gingen snel maar gaven geen houvast.

Overal in Europa verschenen tussen 1900 en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog romans waarin de neergang van een wereld vol energie (mannelijkheid, opnieuw) en vertrouwen werd geanalyseerd. […] Er wordt geen uitweg geboden, want die zagen de auteurs zelf niet.

De duizelingwekkende jaren, p.32/34

Sommige anderen wel. Terug naar Henry Adams en de dynamo’s in de Machinegalerie. Voor hem werd het duidelijk dat in de ontzagwekkende kracht die in deze machines besloten lag het antwoord te vinden was voor ‘deze veronderstelde uitputting van de westerse cultuur’. Ook de Franse avant-gardistische dichter Guillaume Apollinarie was dezelfde gedachte toegedaan.

Het enige mogelijke geloof was een amalgaam van het antieke en de avant-garde.

De duizelingwekkende jaren, p.37

Hoe dat eruit zag krijgen we te lezen in een van de komende hoofdstukken.

~ ~ ~

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *