Home » Informatief » Een ‘feest’ van herkenning

Blogupdates in je mailbox?

Een ‘feest’ van herkenning

Deze blog­post is deel 37 van 40 in de serie Don Qui­chot — Cer­van­tes

Eer­ste deel – Zes­en­der­tig­ste hoofd­stuk:

Het­welk han­delt over ande­re merk­waar­di­ge gebeur­te­nis­sen die in de her­berg plaats von­den

Nu het ver­haal van de Onge­past Nieuws­gie­ri­ge is afge­lo­pen kun­nen we ver­der met de avon­tu­ren van Don Qui­chot. Zou je den­ken. Ware het niet dat die in die­pe rust is na zijn hero­ï­sche strijd met de wijn­zak­ken van de her­ber­gier. Geluk­kig ver­wel­komt die laat­ste op dat moment een nieu­we groep rei­zi­gers. Het mid­del­punt wordt gevormd door een geslui­er­de vrouw die blijk­baar aan het eind van haar krach­ten is en een gemas­ker­de man die geen goed woord voor haar over heeft. Een en ander zorgt voor een onge­mak­ke­lij­ke sfeer in de her­berg.

Doro­tea kan het gezucht en gesteun van de vrouw niet lan­ger aan­ho­ren en biedt haar aan om tot hulp te zijn. Zij krijgt ech­ter geen reac­tie. Zelfs niet na enig aan­drin­gen omdat haar toch wel dui­de­lijk is dat de vrouw hulp­be­hoe­vend is. Het ont­lokt haar bege­lei­der de uit­spraak dat het wei­nig zin heeft want als zij al zou spre­ken zou­den het alle­maal leu­gens zijn. Nu rea­geert de vrouw als door een adder gebe­ten en ver­wijt de man dat juist hij het is die men tot leu­ge­naar kan bestem­pe­len.

De ont­sta­ne woor­den­wis­se­ling zorgt voor een ket­ting­re­ac­tie. Car­de­nio die zich afge­zon­derd had meent de stem van de vrouw te her­ken­nen en roept wie er is gear­ri­veerd. De vrouw raakt bij­na bui­ten zin­nen bij het horen van de stem van Car­de­nio en staat op om hem te zoe­ken. Iets wat de man uit alle macht pro­beert te ver­hin­de­ren. In de scher­mut­se­ling ver­lie­zen bei­de hun gezichts­be­dek­king. Doro­tea valt in kat­zwijm als zij de man her­kent. Om haar bij te bren­gen is de pas­toor genood­zaakt haar slui­er af te nemen, want ook zij had haar gelaat toe­ge­dekt bij het ver­ne­men van de komst van de nieu­we bezoe­kers. En dit­maal was het de man die vol­ko­men ver­rast is als hij haar meent te her­ken­nen. Om het feest van her­ken­ning com­pleet te maken komt Car­de­nio de kamer bin­nen­ge­stormt en kan zijn eigen ogen niet gelo­ven als hij daar zowel de man als de vrouw ziet waar­van hij niet gedacht zou heb­ben hen ooit nog te zul­len ont­moe­ten.

Hoe zit het met jul­lie geheu­gen? Enig idee wat hier aan de hand is? Laat ik deze keer niet zo flauw doen als in mijn vori­ge blog­post en een tip­je van de slui­er (😉) oplich­ten. Hier­voor moe­ten we terug naar hoofd­stuk 24 waar de man in de ber­gen zijn intre­de doet. Het is de man die we later leren ken­nen als Car­de­nio.

In de hoofd­stuk­ken die vol­gen doet hij zijn ver­haal over hoe hij ver­liefd wordt op Luscin­da maar zijn voor­ge­no­men huwe­lijk met haar tij­de­lijk moet uit­stel­len om te gaan die­nen bij een voor­naam edel­man. Daar raakt hij bevriend met de zoon des hui­zes. Deze Don Fer­nan­do is een ech­te vrou­wen­ver­sier­der en heeft zijn zin­nen gezet op een scho­ne boe­ren­doch­ter die hij alleen in bed weet te pra­ten door te belo­ven met haar te trou­wen. Na de daad gaat hij er ech­ter met hulp van Car­de­nio van­door om zich een tijd­je schuil te hou­den. Helaas voor Car­de­nio raakt Don Fer­nan­do tot over zijn oren ver­liefd op Luscin­da die hij dwingt met hem te trou­wen. Van­uit de cou­lis­sen is Car­de­nio getui­ge van het huwe­lijk en trekt zich terug als klui­ze­naar nadat hij met eigen oren hoort dat Luscin­da het ja-woord geeft. Dat zijn eigen ogen niet zien dat zij daar­bij een brief in de han­den van Don Fer­nan­do duwt die daar­op ver­bou­we­reerd in een stoel zakt is dan wel weer jam­mer. Het had hem en Luscin­da waar­schijn­lijk een hoop leed bespaard. En mis­schien ook Don Fer­nan­do en Doro­tea. Maar dan had­den wij weer niet kun­nen genie­ten van deze smeu­ï­ge ver­wik­ke­lin­gen.

De set­ting is nu com­pleet. Don Fer­nan­do heeft Luscin­da in zijn armen die bezwe­ken is bij het aan­ho­ren van de stem van haar gelief­de Car­de­nio. Doro­tea (de scho­ne boe­ren­doch­ter) ligt in de armen van de pas­toor nadat zij een flauw­te heeft gekre­gen bij het zien van Don Fer­nan­do waar zij al die tijd naar op zoek was geweest om haar lief­de voor hem te tonen nadat hij zo spoor­loos was ver­dwe­nen. En Car­de­nio staat als aan de grond gena­geld bij het zien van hen allen.

Uit­ein­de­lijk is het Doro­tea die, een­maal weer bij zin­nen zich aan de voe­ten van Don Fer­nan­do werpt en een lan­ge mono­loog houdt waar­bij zij hem dui­de­lijk maakt dat het nood­lot hen hier gebracht heeft en dat zij voor­be­stemd zijn voor elkaar, net zoals Car­de­nio en Luscin­da voor elkaar zijn voor­be­stemd.

Laat mij, heer Don Fer­nan­do, om der wil­le van wat gij u zelf ver­schul­digt zijt ook al zoudt ge het om geen ande­re reden doen, laat mij gaan tot de muur waar­van ik de klim­op ben; tot de steun van wie uw bela­gen en drei­gen, uw belof­ten en geschen­ken mij niet kon­den los­ma­ken. Zie hoe de Hemel mij langs vreem­de en ons onbe­ken­de wegen weer tot mijn ware echt­ge­noot heeft terug­ge­voerd; gij weet door tal­lo­ze dure erva­rin­gen zeer wel dat alleen de dood in staat zou zijn mij hem te doen ver­ge­ten.

Don Qui­chot, p.269

De ove­ri­ge aan­we­zi­gen kun­nen niet anders dan instem­men met de wel­spre­kend­heid van Doro­tea en de oprech­te droe­fe­nis die zij toont tij­dens haar smeek­be­des aan het adres van Don Fer­nan­do laat nie­mand onbe­roerd. Ook Don Fer­nan­do niet. Heel even dreigt het als­nog tot een fataal hand­ge­meen te komen als Luscin­da zich open­lijk uit­spreekt voor haar lief­de voor Car­de­nio maar het loopt geluk­kig met een sis­ser af opnieuw door tus­sen­komst van Doro­tea die zich nog kramp­ach­ti­ger aan de benen van Don Fer­nan­do vast­klampt en op hem in blijft pra­ten.

Ik vraag u om Gods­wil en smeek u om uwent­wil­le, laat deze ken­ne­lij­ke ont­goo­che­ling uw toorn niet ver­ho­gen, maar laat ze veel­eer zo beda­ren daat ge in alle rede en rust deze twee min­naars toe­staat in vre­de te leven zon­der dat ge het ver­hin­dert, en zolang het de Hemel beha­gen zal hun die rust te gun­nen

Zo krij­gen we voor de ver­an­de­ring eens een eind goed al goed moment­je. Al is het natuur­lijk de vraag voor hoe­lang. De rei­zi­gers zijn ver van huis en een ver­die­ping boven hen ligt Don Qui­chot te sla­pen. Als ik hen was zou ik even pro­be­ren te genie­ten van de betrek­ke­lij­ke rust nu het nog kan.

~ ~ ~


Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Ik lees nu

Max Have­laar — Mul­ta­tu­li


Don Qui­chot — Cer­van­tes


Rea­der Inlei­ding Let­ter­kun­de