De duizelingwekkende jaren – 1901: Wisseling van de wacht

Deze blogpost is deel 16 van 16 in de serie Cultuurwetenschappen
Reapers (1785), George Stubbs (1724-1806)

In het tweede hoofdstuk van De duizelingwekkende jaren wordt stilgestaan bij de afnemende machtspositie van de adel in de meeste Europese naties. Vooral in de landen waar de zogenaamde landadel afhankelijk was van de opbrengsten die hun grondbezit opleverde was de impact van de toenemende technologische ontwikkelingen en de opkomende globalisering desastreus. In rap tempo werd de binnenlandse markt overspoeld met goedkope agrarische produkten van overzeese gebieden waardoor hun voornaamste bron van inkomsten wegviel. Plots werd het landbezit een last inplaats van een lust.

Vooral in Groot-Brittanië kwam de klap hard aan voor de aristocratie. In een kort tijdsbestek was hun machtsbasis zo goed als verdwenen. Philipp Blom schetst een somber beeld:

In 1900 was er een hypotheek gelegd op 14.000 landgoederen en niet meer dan 2.800 landeigenaren slaagden erin op tijd hun aflossingen te voldoen. Alleen al tussen 1903 en 1909 verkochten de Britse edellieden 3,6 miljoen hectare grond.

De duizelingwekkende jaren, p.49

Niet overal in Europa zag je de neergang van de adel in een vergelijkbare manier tot stand komen. In Frankrijk bijvoorbeeld was de macht van de adel allang (denk aan de Franse Revolutie) ingeperkt, terwijl Nederland simpelweg te klein was waardoor de adel nooit echt een substantiële machtsbasis had kunnen verkrijgen. Blijven over Rusland, Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Hier was ook te zien dat het grondbezit onder druk kwam te staan als machtsbasis, hoewel er heel verschillend mee werd omgegaan. Zo leidde de sterke band die de Pruisische landadel in Duitsland had met de keizer tot importbeperkingen die ervoor zorgden dat zij vanwege hun aangeborgen zuinigheid en militaire ethos in ieder geval het hoofd boven water konden houden.

Deze teloorgang van de heersende aristocratie zag aan de andere kant een opkomst van een nieuwe klasse van rijken (handelaren, industriëlen) die hun plek opeisten in de bestaande hiërarchie. Zij hadden nu het meeste kapitaal in handen en waren daardoor in staan om veel van de landgoederen die te koop stonden over te nemen. Niet om er inkomsten uit te genereren maar eerder als een vorm van status. Hun machtsbasis lag en bleef in de stad.

Aanvankelijk werd daar door de adel enigszins laatdunkend naar gekeken, maar gaandeweg vond er (in veel gevallen noodgedwongen) toch een soort van versmelting plaats. Voorlopig wel met alleen de meest gefortuneerden onder de nieuwe rijken.

Zowel de Engelse koning Edward als de Duitse keizer Wilhelm II zochten bewust het gezelschap van zulke machtige, nieuwe vrienden. Edward waarschijnlijk uit hedonistische overwegingen, Wilhelm omdat ze de snel opkomende economische macht van zijn nieuwe rijk belichaamden.

De duizelingwekkende jaren, p.61
Louis Rémy Sabattier (1863-1935)

Deze wisseling van de wacht waarbij de machtsbasis verschuift richting de grote stad en de nieuwe rijken (nouveaus riches) zal permanent blijken te zijn. Het is tevens de opmaat voor een in veel gevallen meer democratische samenleving waarbij adellijke afkomst minder belangrijk wordt.

~ ~ ~

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *