Wat is cultuurgeschiedenis?

Deze blog­post is deel 17 van 18 in de serie Cul­tuur­we­ten­schap­pen
Kin­der­spe­len, 1560 — Pie­ter Brue­gel de Oude

De rea­der­tekst die qua cur­sus­struc­tuur volgt op twee hoofd­stuk­ken uit De dui­ze­ling­wek­ken­de jaren door Phi­lipp Blom is dit­maal een hoofd­stuk uit het boek Wat is cul­tuur­ge­schie­de­nis, geschre­ven door Peter Bur­ke. In de inlei­ding begint Bur­ke met te zeg­gen dat cul­tuur­ge­schie­de­nis ooit het als het ‘stief­kind­je onder de his­to­ri­sche vak­ge­bie­den’ gezien werd, maar dat het in de jaren zeven­tig her­on­dekt werd. In zijn boek gaat hij nader in op deze her­ont­dek­king, maar in de rea­der­tekst beper­ken we ons tot een over­zicht van wat cul­tuur­ge­schie­de­nis grof­weg inhoudt en hoe het zich ont­wik­kelt heeft door de jaren heen. Hier­voor onder­scheidt Bur­ke vier fasen:

  • De ‘klas­sie­ke fase’ in de negen­tien­de en begin twin­tig­ste eeuw.
  • De fase van de ‘soci­a­le kunst­ge­schie­de­nis’ die in de jaren der­tig van de vori­ge eeuw begon.
  • De ont­dek­king van ‘de geschie­de­nis van de volks­cul­tuur’ in de jaren zes­tig van de vori­ge eeuw.
  • De ‘nieu­we cul­tuur­ge­schie­de­nis’1

De klassieke fase

Deze peri­o­de wordt als klas­siek geka­rak­te­ri­seerd omdat de cul­tuur­his­to­ri­ci zich voor­na­me­lijk beperk­ten tot de geschie­de­nis van de klas­sie­ke oud­heid en de klas­sie­ke canon van mees­ter­wer­ken uit onder meer kunst, lite­ra­tuur en filo­so­fie. Ze richt­ten zich boven­al op de ver­ban­den tus­sen de ver­schil­len­de kun­sten en gin­gen op zoek naar de rela­tie van bepaal­de kunst­vor­men met de ‘Zeit­geist’ of ‘tijd­geest’.

Twee van de bekend­ste repre­sen­tan­ten zijn de Zwit­ser Jacob Bur­ck­hardt (1818–1897) en de Neder­lan­der Johan Hui­zin­ga (1872–1945). Van Bur­ck­hardt is Die Kul­tur der Renais­san­ce in Ita­lien een stan­daard­werk. Tij­dens mijn stu­die Geschie­de­nis (1989–1993) heb ik een twee­de­hands exem­plaar op de kop weten te tik­ken en heb het toen­der­tijd in één ruk uit­ge­le­zen ondanks dat het slechts zij­de­lings aan bod kwam. Nooit spijt van gehad.

Johan Hui­zin­ga was vol­gens Bur­ke zowel kri­tisch over Burckhardt(s inter­pre­ta­tie van de Renais­san­ce) doch tevens een aan­han­ger van zijn metho­de die voor­al intu­ï­tief was. Na gron­di­ge bestu­de­ring van de kunst en lite­ra­tuur uit het onder­ha­vi­ge tijd­vak dat zijn inte­res­se had kwam hij ver­vol­gens met alge­me­ne uit­spra­ken onder­bouwd door voor­beel­den, anek­do­ten en cita­ten. Dit alles wist hij in zeer leven­dig pro­za te ver­woor­den, van­daar dat ik het een genot vond hem te lezen.

Hui­zin­ga zelf wordt door Bur­ke beschre­ven als iemand van de bre­de visie, zowel qua geo­gra­fi­sche reik­wijd­te als­ook de his­to­ri­sche peri­o­des waar­in hij zich ver­diep­te. Bur­ke haalt het essay De taak der cul­tuur­ge­schie­de­nis (1929) aan, waar­in Hui­zin­ga uit­legt ‘dat het voor­naams­te doel van de cul­tuur­his­to­ri­cus dient te zijn een beeld te geven van cul­tuur­pa­tro­nen’.

Hij bedoel­de daar­mee dat cul­tuur­his­to­ri­ci die­nen te pro­be­ren de karak­te­ris­tie­ke gedach­ten en sen­ti­men­ten van een tijd­perk te beschrij­ven, als­me­de de uit­druk­king en beli­cha­ming daar­van in lite­ra­tuur en beel­den­de kunst. Hui­zin­ga betoog­de dat de his­to­ri­cus deze cul­tu­re­le patro­nen bloot­legt door the­ma’s, sym­bo­len, sen­ti­men­ten en vor­men te bestu­de­ren.

[p.21 — Wat is cul­tuur­ge­schie­de­nis?]

Mij sprak dat lang gele­den al aan, en nu opnieuw tij­dens het bestu­de­ren van deze rea­der­tekst. Dus niet geheel toe­val­lig heb ik onlangs van mijn opge­spaar­de boe­ken­bon­nen onder ande­re het boek Een wereld vol patro­nen — De geschie­de­nis van ken­nis door Rens Bod aan­ge­schaft. Op de ach­ter­kaft staat de vol­gen­de samen­vat­ting: Het idee dat de wereld kan wor­den begre­pen aan de hand van patro­nen en onder­lig­gen­de prin­ci­pes is een van de belang­rijk­ste inzich­ten van de mens.

Een bekend werk waar­in Hui­zin­ga zijn gepro­pa­geer­de aan­be­ve­lin­gen al eer­der in de prak­tijk bracht is Herfst­tij der Mid­del­eeu­wen (1919). Dat boek heb ik helaas nog niet gele­zen. Wel heb ik een heel fraai geïl­lu­streerd exem­plaar in mijn boe­ken­kast staan waar­van ik zeker weet dat het gedu­ren­de mijn hui­di­ge stu­die cul­tuur­we­ten­schap­pen vast wel ergens op de lees­lijst gaat komen.

Wat ik nog inte­res­sant vind te ver­mel­den is dat Bur­ke aan­geeft dat hoe­wel Hui­zin­ga zich op vor­men en patro­nen richt, dat dit niet wil zeg­gen dat er geen aan­dacht is voor de mens. Zelf heeft Hui­zin­ga dat als volgt omschre­ven:

“Welk idee kun­nen we ons van een tijd­perk vor­men als we geen men­sen zien? Als we slechts alge­me­ne beschrij­vin­gen geven, laten we een woes­tijd zien die we geschie­de­nis noe­men.”

[p.22 — Wat is cul­tuur­ge­schie­de­nis]

De sociale kunstgeschiedenis

Tij­dens de klas­sie­ke peri­o­de kwa­men niet alle belang­rij­ke bij­dra­gen van­uit de tra­di­ti­o­ne­le geschied­kun­di­ge facul­tei­ten maar waren het ook aca­de­mi­ci uit ande­re dis­ci­pli­nes die zich op het cul­tuur­his­to­ri­sche pad bega­ven. Beken­de voor­beel­den zijn de Duit­se soci­o­lo­gen Max Weber met Die pro­tes­tan­ti­sche Ethik und der Geist des Kapi­ta­lis­mus (1904) en Nor­ber Eli­as met Über den Pro­zess der Zivi­li­za­ti­on (1939). Een vreem­de eend in de bijt, maar wel een­tje met ver­rei­ken­de invloed was Andy War­burg (opnieuw een Duit­ser). Als bemid­del­de ban­kiers­zoon had hij ervoor geko­zen om af te zien van een erfe­nis en zich te voor­zien van een toe­la­ge die hem in staat stel­de alle boe­ken te kopen die hij voor zijn stu­die meen­de nodig te heb­ben. Gaan­de­weg ver­za­mel­de hij niet alleen een enor­me boe­ken­ver­za­me­ling om zich heen maar ook een eru­diet gezel­schap weten­schap­pers ‘die een diep­gaan­de belang­stel­ling voor zowel de geschie­de­nis van sym­bo­len als voor de klas­sie­ke tra­di­tie deel­den’. Zij kwa­men bij­een in zijn bibli­o­theek in Ham­burg die later ver­huis­de naar Lon­den om niet in han­den te val­len van de nazi’s in Duits­land.

De opkomst van Hit­ler en het nati­o­naal­so­ci­a­lis­me leid­de ertoe dat veel weten­schap­pers die reden had bevreesd te zijn dat zij hun weten­schap­pe­lij­ke acti­vi­tei­ten niet kon­den voort­zet­ten ver­huis­den naar Enge­land of de Ver­e­nig­de Sta­ten. De invloed op de bestu­de­ring van cul­tuur­ge­schie­de­nis in bei­de lan­den was ingrij­pend. Door de komst van de Euro­pe­se cul­tuur­his­to­ri­ci vond er een ver­schui­ving plaats in het intel­lec­tu­e­le debat van ‘civi­li­za­ti­on’ of bescha­ving, naar ‘cul­tu­re’ wat bui­ten het Euro­pe­se vas­te­land nog niet echt gang­baar was op enke­le uit­zon­de­rin­gen na (ook weer, merk­waar­dig genoeg, veel­al van bui­ten de his­to­ri­sche facul­teit). Het waren de zoge­naam­de exil-weten­schap­pers die de rela­tie tus­sen cul­tuur en samen­le­ving op de agen­da wis­ten te zet­ten. In Enge­land waren het drie Hon­ga­ren die een cru­ci­a­le rol speel­den: de soci­o­loog Karl Mann­heim en de kunst­his­to­ri­ci Arnold Hau­ser en Fre­de­rick Antal.

De geschiedenis van de volkscultuur

In Duits­land was altijd al veel aan­dacht voor de tra­di­tie van volks­lied­jes, volks­sprook­jes, volks­dan­sen, volk­se ritu­e­len en ambachts­kunst. Alleen werd deze geschied­schrij­ving voor­na­me­lijk over­ge­la­ten aan ama­teurs, fol­klo­ris­ten en antro­po­lo­gen. Pas in de jaren zes­tig van de vori­ge eeuw werd het een seri­eus aan­dachts­ge­bied. The Making of the English Wor­king Class (1963) door Edward Pal­mer Thomp­son is een goed voor­beeld. Naast de gebrui­ke­lij­ke ana­ly­se van de rol die eco­no­mi­sche en poli­tie­ke ver­an­de­rin­gen spe­len, geeft Thomp­son een kleur­rijk over­zicht van het dage­lijks leven van ambachts­lie­den en bij­voor­beeld de sym­bo­liek van voed­sel. Het boek had veel invloed op jon­ge­re his­to­ri­ci en het beperk­te zich niet alleen tot Enge­land, maar ver daar­bui­ten.

De ver­kla­ring die Bur­ke geeft voor de her­nieuw­de belang­stel­ling voor de volks­cul­tuur is twee­zij­dig, een inter­ne en een exter­ne:

  • intern: het was een reac­tie op een te een­zij­di­ge focus op de geschie­de­nis waar hoofd­za­ke­lijk poli­tiek en eco­no­mie een hoofd­rol had­den en de ‘gewo­ne mens’ nau­we­lijks aan bod kwam;
  • extern: de opkomst zou samen­val­len met de opkomst van ‘cul­tu­re­le stu­dies’ die inter­na­ti­o­naal suc­ces had en het leek dat deze vorm van geschied­schrij­ving meer recht zou doen aan de snel ver­an­de­ren­de wereld.

Bur­ke sluit het hoofd­stuk af met de con­sta­te­ring dat net zoals bij de klas­sie­ke cul­tuur­his­to­ri­sche tra­di­tie en de mar­xis­ti­sche (soci­o­lo­gi­sche) aan­pak, ook de geschied­schrij­ving van de volks­cul­tuur pro­ble­men met zich mee­bracht. Wel­ke dat zijn hoop ik in mijn ver­de­re stu­die te ont­dek­ken want het is natuur­lijk wel een cliff­han­ger om zo een rea­der­tekst af te slui­ten.

~ ~ ~


  1. Deze stro­ming komt in de rea­der­tekst niet aan bod. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *