20211229 — woensdag

Iets eer­der wak­ker dan de voor­bije dagen. Zeven uur, om pre­cies te zijn. Eigen­lijk om zes uur, maar ik besloot om nog even te blij­ven liggen. 

Bij een eer­ste kop kof­fie de rap­por­ta­ge voor het werk gedaan en met een twee­de kop kof­fie in de weten­schap­pe­lij­ke revo­lu­tie van de zeven­tien­de eeuw gedo­ken. Het onder­werp van het een na laat­ste hoofd­stuk voor Inlei­ding cul­tuur­ge­schie­de­nis 1. Rond elf uur sloeg ik de boe­ken dicht om Inge bui­ten te gaan hel­pen met het ver­za­me­len van oud ijzer en weg­gooi­en van puin.

De oud­ij­zer­han­de­laar zou van­och­tend vroeg komen maar had een lek­ke band. Dat kwam ons wel goed uit want tij­dens het oprui­men van de schuur von­den we nog meer oude spul­len van ijzer die weg kunnen. 

Tegen twee uur begon Inge weer wat meer last te krij­gen van de bij­wer­king van haar boos­ter­prik. Zij plof­te op de bank met een bor­duur­werk­je en ik ging weer door met de stu­die want inmid­dels regen­de het pij­peste­len en viel er bui­ten niet veel te doen. 

Omdat deze och­tend het stu­die­ma­te­ri­aal voor Inlei­ding filo­so­fie 1 was bezorgd besloot ik een gede­tail­leer­de stu­die­plan­ning te maken voor de komen­de vier maan­den. Nu ik voor drie cur­sus­sen tege­lijk sta inge­schre­ven wordt het belang­rijk mijn tijd goed te ver­de­len en effi­ci­ënt te stu­de­ren. Dat zal nog een uit­da­ging wor­den naast mijn dage­lijk­se volletijdsbaan.

Ook van­daag weer vroeg in de avond met het avond­eten begon­nen. Nor­maal eten we meest­al pas ruim na zeven uur, maar nu tij­dens de vakan­tie en ook vaak tij­dens de lock­down wan­neer we alle­bei van­uit huis moe­ten wer­ken, eten we regel­ma­tig al om zes uur. Waar­door de avond veel lan­ger lijkt. Mis­schien moe­ten we dit pro­be­ren vast te houden.

De rest van de avond: film kij­ken. Voor de ver­an­de­ring eens James Bond met Daniel Craig. We wil­den de laat­ste met hem in de bios­coop gaan zien. Dat zit er niet in. Daar­om eer­der deze week voor­aan begon­nen met Casi­no Roy­al en zo het rij­tje af tij­dens de vakantieavonden.

Gene­sis 2

Het begint met een rust­dag, de zeven­de dag. God is klaar met zijn werk.

Dan lijkt het als­of het schep­pings­ver­haal opnieuw ver­teld wordt, maar in iets ande­re volg­or­de en zon­der spe­ci­fie­ke tijds­duur. Er is spra­ke van een tuin in Eden waar God de mens (in dit geval een man) heeft neer­ge­zet. In deze tuin ont­springt een rivier die zich uit­splitst in vier ver­tak­kin­gen. De Tigris en de Eufraat zijn me bekend, van de Pison en Chi­chon had ik nog niet eer­der gehoord (of ze zijn me niet bijgebleven). 

God — die nu ook tel­kens met HEER wordt aan­ge­duid — besluit dat de mens wel wat gezel­schap kan gebrui­ken en schept alle die­ren (hoe­wel dat in Gene­sis 1 in een ande­re volg­or­de werd gedaan). De mens geeft ze alle­maal een naam, ech­ter er ont­breekt nog iets. Een hel­per. Dus brengt God de mens in een die­pe slaap, ont­neemt hem een rib en bouwt hier­mee een vrouw. De mens stelt deze ver­ras­sing zeer op prijs:

‘Ein­de­lijk een gelijk aan mij
mijn eigen gebeen­te
mijn eigen vlees,
een die zal heten: vrouw,
een uit een man gebouwd.’

Ook de zin die volgt geeft aan dat er spra­ke is van gelijk­heid: ‘Zo komt het dat een man zich los­maakt van zijn vader en moe­der en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam wordt.’

De schep­ping van Eva (1508–1512), Miche­lan­ge­lo Buo­nar­ro­ti (1475–1564)

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *