God roept Noah — Genesis 6

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, ben ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begonnen.

Gene­sis 6

De aar­de wordt gaan­de­weg bevolkt met steeds meer men­sen. Man­nen en vrou­wen. Voor­al de doch­ters waren erg in trek bij de zonen van de goden. Ondui­de­lijk is het wie dit zijn. De men­sen zelf mis­schien? In ieder geval besloot God rond die tijd dat zijn levens­geest niet in de mens kon blij­ven, want de mens is immers niets meer dan vlees. Als gevolg kon­den men­sen nog maar maxi­maal hon­der­twin­tig jaar oud wor­den. Er wordt ook nog ver­meld dat zolang de zonen van de goden gemeen­schap had­den met de vrou­wen er gigan­ten leef­den op aarde. 

Dan breekt het moment aan dat God onte­vre­den is met zijn schep­ping. De men­sen zijn cor­rupt en hij voel­de zich daar­door diep gekwetst. Er zit niets anders op voor hem dan de gehe­le bevol­king weg te vagen. Inclu­sief het die­ren­rijk. Want hij heeft spijt dat hij dit alle­maal gescha­pen heeft. Tja. 

Alleen Noach vond bij de HEER gena­de. Hij ver­tel­de Noach van zijn plan om de mens­heid en de aar­de te ver­nie­ti­gen, maar gaf hem een gede­tail­leer­de opdracht tot het bou­wen van een ark waar­in hij van elke bestaan­de dier­soort een kop­pel aan boord moest nemen. Oh, en Noach mocht ook zijn vrouw, zijn zonen, en de vrou­wen van zijn zonen mee­ne­men. Plus natuur­lijk vol­doen­de pro­vi­and. Noach deed alles zoals God het hem had opgedragen.

God roept Noah, mozaiek (ca.1218) in Mon­re­a­le kathe­draal te Sicilië