De ark van Noach — Genesis 8

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, ben ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begonnen.

Gene­sis 8

God was Noach en zijn ark niet ver­ge­ten. De slui­zen wer­den geslo­ten en de wind aan­ge­zet. Het water begon lang­zaam­aan te zak­ken. Ik heb gepoogd wijs te wor­den uit de ver­schil­len­de frag­men­ten die aan­ge­ven hoe­veel tijd hier­mee gemoeid was, maar ik raak tel­kens de tel kwijt. Het is vol­gens mij ook niet hele­maal con­se­quent. Hoe dan ook, het water zakt en de ark loopt vast op het Ara­rat­ge­berg­te. Noach onder­neemt ver­schil­len­de pogin­gen van­uit deze hang­plek om uit te vin­den hoe­ver het water inmid­dels gedaald was. Hij zond hier­voor eerst een raaf (tever­geefs), een duif (tever­geefs) en ver­vol­gens opnieuw een duif (suc­ces­vol, want ze kwam terug met een olijf­blad) de wij­de wereld in. Na nog enke­le dagen wach­ten liet hij opnieuw de duif los. Ze kwam niet meer terug. Teken voor Noach dat de kust vei­lig was. Hij open­de het dak en God ver­tel­de hem dat ze de ark moch­ten ver­la­ten. Als dank bracht Noach enke­le brand­of­fers die God gun­stig stem­den. Of hij spijt had van zijn daad is niet dui­de­lijk, wel zei hij tot zich­zelf dat hij nooit weer de aar­de zou ver­vloe­ken wegens de mens, want alles wat de mens uit­denkt is nu een­maal slecht. En nooit weer zou hij alles wat leeft doden.

De Ark van Noach op het Ara­rat­ge­berg­te (1570?), Simon de Myle

0