God toont Abram de sterren — Genesis 15

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, ben ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begonnen.

Gene­sis 15

God ver­scheen in een visi­oen aan Abram. Op de vraag van Abram waar­om God hem zo goed­ge­zind was en hem zou bescher­men en belo­nen ter­wijl hij toch geen nako­me­lin­gen had, gaf God als ant­woord dat Abram wel dege­lijk nog een kind zou verwekken. 

Daar­op leid­de hij Abram naar bui­ten. ‘Kijk eens naar de hemel,’ zei hij, ‘en tel de ster­ren, als je dat kunt.’ En hij ver­ze­ker­de hem: ‘Zo zal het ook zijn met jouw nakomelingen.’

Abram deed ver­vol­gens wat de HEER hem opdroeg, name­lijk een drie­ja­ri­ge koe, een drie­ja­ri­ge geit, een drie­ja­ri­ge ram, een tor­tel­duif en een gewo­ne duif te offe­ren door de die­ren door­mid­den te snij­den, met uit­zon­de­ring van de vogels. Hij bleef waken en ver­joeg gie­ren die op de kada­vers afkwa­men. Tegen zons­on­der­gang viel hij in slaap. God ver­tel­de hoe de nako­me­lin­gen van Abram eerst vier­hon­derd jaar lang als sla­ven in een vreemd land onder­drukt zou­den wor­den voor­dat God hen zou bevrij­den. Plots was er een oven waar rook uit kwam en een bran­den­de fak­kel ging tus­sen de dier­helf­ten door. De ide­a­le omstan­dig­he­den voor God om een ver­bond met Abram te slui­ten dat dit land ooit voor zijn nako­me­lin­gen zou zijn.

God toont Abram de ster­ren (1860), Juli­us Schno­rr von Carols­feld (1794–1872)

0