Sarai brengt Hagar tot Abram — Genesis 16

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, ben ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begonnen.

Gene­sis 16

God, de HEER mocht dan wel ver­teld heb­ben aan Abram dat hij vele nako­me­lin­gen zou krij­gen, voor­als­nog luk­te het zijn vrouw Sarai niet om hem kin­de­ren te baren. Vreemd genoeg kwam zij met het voor­stel om haar Egyp­ti­sche sla­vin, Hagar aan te bie­den. Mis­schien hoop­te zij op deze manier wel­lust op te wek­ken bij Abram aan­ge­zien Hagar jong en beval­lig was ter­wijl Sarai al flink op leef­tijd was. Abram, de oude snoe­per, greep zijn kans en bin­nen de kort­ste keren was Hagar zwanger. 

Sarai brengt Hagar tot Abram (1699), Adriaen van der Werff (1659–1722)

Dit was tegen het zere been van Sarai. Boven­al ver­loor Hagar elk res­pect voor Sarai nu ze een kind van Abram droeg. Sarai deed haar beklag bij Abram, die geen ver­ant­woor­de­lijk durf­de te nemen voor zijn daden en haar als ant­woord gaf dat ze kon doen met Hagar wat ze wil­de aan­ge­zien het haar sla­vin was. Sarai maak­te daar­op het leven van Hagar zo zwaar, dat de sla­vin er van­door ging. 

Op haar vlucht ont­moet­te ze een engel die haar opdracht gaf terug te keren naar haar mees­te­res. Ook werd Hagar beloofd dat zij vele nako­me­lin­gen zou krij­gen en dat ze haar eerst­ge­bo­re­ne Isma­ël moest noe­men. Hagar gehoor­zaam­de, en de zoon die ze baar­de werd door Abram Isma­ël genoemd. Abram was toen zes­ent­ach­tig jaar.