De besnijdenis van Abraham — Genesis 17

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, ben ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begonnen.

Gene­sis 17

Der­tien jaar na de geboor­te van zijn bui­ten­ech­te­lij­ke zoon Isma­ël bij Hagar ver­schijnt God opnieuw aan Abram. Niet voor de eer­ste keer begon God weer over een ver­bond dat hij met Abram wil­de aan­gaan. Het ging nu gepaard met enke­le voor­waar­den. Zo moest Abram een onbe­ris­pe­lijk leven lei­den, een naams­ver­an­de­ring onder­gaan van Abram naar Abra­ham, en als teken van het ver­bond zou­den alle man­nen en jon­gens voort­aan besne­den moe­ten wor­den. Bij nieuw­ge­bo­re­nen zou dat na acht dagen die­nen te geschie­den, maar met terug­wer­ken­de kracht ook bij Abra­ham, zijn zoon Isma­ël en ieder­een die zich in zijn gezel­schap bevond, inclu­sief slaven. 

De besnij­de­nis van Abra­ham, prent uit Bij­bel van Jean de Sy (1355–1357)

Ook ver­tel­de God dat Abra­ham van zijn vrouw Sarai, die voort­aan de naam Sara zou dra­gen, een zoon kon ver­wach­ten die ze Isaak moesten noe­men. Met hem zou God het ver­bond voort­zet­ten. Abra­ham kon niet anders dan lachen bij de gedach­te dat hij op hon­derd­ja­ri­ge leef­tijd bij zijn hoog­be­jaar­de vrouw van over de negen­tig een zoon zou weten te ver­wek­ken. Het weer­hield hem er niet van om nog dezelf­de dag zich­zelf en alle ande­re man­nen te (laten) besnijden.


0