Abraham en de drie engelen — Genesis 18

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, ben ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begonnen.

Gene­sis 18a

Het wordt een­to­nig maar opnieuw ver­schijnt de HEER aan Abra­ham. In de gedaan­te van drie enge­len als ik het goed begrijp. Het was een hete dag en Abra­ham zat in de scha­duw van zijn tent. Toen hij de drie enge­len zag nade­ren en door­had dat het hier de HEER betrof ging hij onmid­del­lijk naar zijn vrouw Sara om haar te ver­zoe­ken vers brood te bak­ken. Een knecht moest een mals kalf slach­ten en berei­den, en zelf haal­de hij boter en melk. In een oog­wenk was het kalf gebra­den en een vers gebak­ken brood beschik­baar en de gas­ten kon­den aan tafel.

Als­of het niet onlangs al aan Abra­ham beloofd was, ver­tel­den de enge­len dat ze over pre­cies een jaar terug zou­den keren en dat dan Sara inmid­dels beval­len was van een zoon. Sara, die stie­kem stond mee te luis­te­ren schoot in de lach (net als Abram/Abraham in Gene­sis 17) bij het idee op haar leef­tijd nog een kind te moe­ten baren. God hoor­de het en vroeg aan Abra­ham waar­om zijn vrouw moest lachen. Als­of het om een goo­chel­truc ging liet hij Abra­ham weten dat voor God niets onmo­ge­lijk is. Sara krab­bel­de terug en ont­ken­de dat ze gela­chen had. Maar God zei: ‘Ja, je hebt wel gelachen.’ 

Abra­ham en de drie enge­len (1656), Ger­brand van den Eeck­hout (1621–1674)