De verwoesting van Sodom en Gomorra — Genesis 19

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, ben ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begonnen.

Gene­sis 19b

Er was geen tijd te ver­lie­zen. De enge­len namen Lot, zijn vrouw en doch­ters bij de hand, en leid­den hen weg van Sodom en Gomor­ra. De HEER wil­de hen spa­ren maar Lot twij­fel­de of ze tij­dig de bescher­ming van het geberg­te zou­den weten te berei­ken voor­dat het onheil boven Sodom en Gomor­ra zou los­bar­sten. Hij vroeg God of het ook moge­lijk was in een klein stad­je te schui­len dat niet zo ver weg was. God ging akkoord en het gezel­schap op weg. Ze moesten wel opschie­ten, want God liet weten dat ze zolang ze het stad­je nog niet had­den bereikt en niet in vei­lig­heid waren, hij niet kon begin­nen met zijn alles­ver­nie­ti­gen­de acti­vi­tei­ten. Blijk­baar was hij zeer onge­dul­dig, want nog voor­dat ze het stad­je Soar had­den bereikt was de ver­woes­ting al inge­zet mid­dels zwa­vel en vuur dat neer­daal­de uit de hemel. De vrouw van Lot keek om en ver­an­der­de in een zout­pi­laar. De enge­len had­den dan wel gezegd ‘Kijk niet om en sta ner­gens in de val­lei stil’, maar dat deze straf op de over­tre­ding stond had­den ze mis­schien iets dui­de­lij­ker moe­ten dui­de­lijk maken.

Wat ik me afvraag. Hoe wis­ten Lot en zijn doch­ters wat er met hun moe­der was gebeurd als zij zelf niet durf­den om te kijken?

De ver­woes­ting van Sodom en Gomor­ra in de Kro­niek van Neu­ren­berg (1493), Hart­mann Sche­del (1440–1514)
0