Abimelech geeft Sara terug aan Abraham — Genesis 20

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, ben ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begonnen.

Gene­sis 20

Bij het lezen van een nieuw hoofd­stuk in het boek Gene­sis dacht ik op een gege­ven moment dat ik een déjà vu had. Abra­ham heeft zijn vas­te ver­blijf­plaats ver­la­ten en trekt ver­der rich­ting de Negev. Hij vraagt zijn vrouw zich voor te doen als zijn zus­ter. Waar heb ik dat eer­der gele­zen? Juist, in Gene­sis 12. Daar komt de heer­sen­de farao ter ore hoe mooi Sara (die dan nog onder de naam Sarai gaat) is, en geeft opdracht haar naar het hof te bren­gen. Nu is het Abi­me­lech, de koning van Gerar die de vrouw van Abra­ham naar zijn hof laat komen om haar in zijn harem op te nemen. God ver­schijnt ech­ter in zijn slaap en dreigt hem te doden. Abi­me­lech, die nog geen gemeen­schap heeft gehad met Sara ver­de­digt zich door aan te geven dat hem geen blaam treft. Hoe had hij kun­nen weten dat Sara niet de zus­ter van Abra­ham was? God laat weten dat Abi­me­lech zui­ver van gewe­ten is en dat hij hem alleen maar wil waar­schu­wen voor de zon­de die hij bin­nen­kort zou begaan. Hij krijgt de opdracht Sara terug te geven aan Abra­ham, zo niet dan volgt als­nog de dood.

Abra­ham wordt de vol­gen­de dag ont­bo­den aan het hof en Abi­me­lech ver­wijt hem dat hij voor­ge­lo­gen is. Hij vraagt hem uit te leg­gen wat zijn bedoe­lin­gen waren. Abra­ham ont­kent ech­ter dat hij gelo­gen heeft.

Abra­ham ant­woord­de: ‘Ik dacht: Mis­schien heeft men in deze stre­ken geen ont­zag voor God en zul­len ze me doden om mijn vrouw. Boven­dien, ze is wer­ke­lijk mijn zus­ter: ze is de doch­ter van mijn vader. Ze is alleen niet de doch­ter van mijn moe­der, en zo kon ze mijn vrouw wor­den. Toen God mij ver van mijn ver­wan­ten liet rond­zwer­ven, zei ik dan ook tegen haar: “Bewijs me dat ik op je kan reke­nen en zeg over­al waar we komen dat ik je broer ben.”’

Met deze uit­leg gaat Abi­me­lech akkoord. Hij over­laadt Abra­ham met aller­lei geschen­ken, en als­of het niet genoeg is krijgt Abra­ham ook zijn vrouw terug. Of gaat daar lijfs­be­houd ach­ter schuil? Sara krijgt niets. Wel krijgt ze van Abi­me­lech te horen dat haar broer (Abra­ham dus) dui­zend sje­kel zil­ver krijgt voor de ver­meen­de repu­ta­tie­scha­de van Sara. Hier­op bad Abra­ham tot God, en die streek over zijn hart en draai­de de vloek terug waar­mee hij de vele vrou­wen van Abi­me­lech opge­za­deld had, name­lijk dat hun moe­der­schoot geslo­ten was.

Wat uit deze pas­sa­ges in ieder geval dui­de­lijk wordt is dat men niet zo moei­lijk deed voor wat betreft sek­su­e­le betrek­kin­gen bin­nen fami­lie­ver­band, getui­ge de uit­spraak dat Abra­ham en Sara dezelf­de vader had­den. En dat was Terach, zie Gene­sis 11.

Abi­me­lech geeft Sara terug aan Abra­ham (1665–1670), Nico­laes Ber­chem (1621/1622–1683)

0