Abraham verstoot Hagar en Ismaël — Genesis 21

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, ben ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begonnen.

Gene­sis 21a

God had het goed voor­speld. Sara werd zwan­ger (‘De HEER zag om naar Sara zoals hij had beloofd, hij gaf haar wat hij had toe­ge­zegd’) en baar­de een zoon die Isaak werd genoemd. Vol­gens de regels van het ver­bond met God werd het jon­ge­tje op zijn acht­ste levens­dag door Abra­ham besne­den en werd er later een groot feest geor­ga­ni­seerd toen hij niet lan­ger aan de borst bij Sara hoef­de. En opnieuw leek het of ik in een her­ha­ling van zet­ten terecht­kwam. Want Sara zag hoe Isma­ël, het zoon­tje van Hagar (haar Egyp­ti­sche sla­vin die zij zelf het bed van Abra­ham in had gestuurd) op het feest spot­tend lach­te. Reden genoeg voor haar om Abra­ham te dwin­gen Hagar en Isma­ël weg te stu­ren omdat zij bang was dat haar kind ooit de erfer­nis zou moe­ten delen met Ismaël.

Abra­ham wist met de situ­a­tie niet goed raad daar het hier zijn (eer­ste) zoon betrof. Het was God die uit­komst bracht. Hij ver­tel­de dat Abra­ham met een gerust hart kon doen wat Sara van hem ver­lang­de. Want alleen de nako­me­lin­gen van Isaak zou­den gel­den als zijn nage­slacht. En om hem nog wat meer te over­tui­gen liet hij weten dat Isma­ël ook heel veel kin­de­ren zou krij­gen en eigen volk kon stich­ten. Tevre­den stuur­de Abra­ham daar­op Hagar en Isma­ël de woes­tijn waar ze bei­den bij­na van de dorst omkwa­men tot­dat ze gered wer­den door een engel en God, waar­na ze ver­der trok­ken en zich ves­tig­den in de woes­tijn van Paran.

Abra­ham ver­stoot Hagar en Isma­ël (1657), Il Guer­ci­no (Gio­van­ni Fran­ce­s­co Bar­bie­ri) (1591–1666)

0