20220124 — maandag

De vloer­ver­war­ming doet het nog steeds. Beter zelfs. De tem­per­ar­tuur is opge­lo­pen tot 21,5 Cel­si­us. Een beet­je over­dre­ven. Helaas is de mon­teur niet meer geweest. Op het app-bericht­je dat het appa­raat uit zich­zelf weer opge­start was rea­geer­de hij met een duim­pje omhoog. Toen we erach­ter­aan stuur­den dat we niet weten hoe dit kan en dat we niet zeker weten of het euvel nu defi­ni­tief ver­hol­pen is kwam er geen reac­tie meer. Voor­lo­pig laten we het maar zo en mis­schien dat we later in de week wel een her­in­ne­ring stu­ren of hij toch voor de zeker­heid langs kan komen. 

Op kan­toor ein­de­lijk tijd gehad om wat ach­ter­stand weg te wer­ken. Onze ves­ti­ging in Cluj was gro­ten­deels geslo­ten van­we­ge een feest­dag en daar­door vie­len er aan­tal ver­ga­de­rin­gen uit de agen­da. Ver­der rede­lijk wat collega’s in qua­ran­tai­ne. Meest­al omdat iemand in hui­se­lij­ke kring posi­tief getest was. ’s Avonds thuis aan de stu­die. De terug­kop­pe­ling op de lite­ra­tuur­lijst laat nog op zich wachten.

Gene­sis 24a

Abra­ham vraagt zijn oud­ste knecht op zoek te gaan naar een vrouw voor Isaak, zijn zoon. Maar die vrouw moet wel uit het land komen dat hij lang gele­den op ver­zoek van God heeft ver­la­ten. Onder geen beding mag de knecht terug­ko­men met een vrouw die tot de Kanaä­nie­ten behoort. Over inte­gra­tie gespro­ken. Als de knecht wil weten wat hij moet doen indien hij een geschik­te vrouw heeft gevon­den in het land van her­komst van Abra­ham, maar die niet met hem mee wil naar Kanaän. Is het dan de bedoe­ling dat hij Isaak ophaalt? Nee. Abra­ham geeft aan dat Isaak niet daar­heen mag. In geen geval. 

De knecht ver­trekt en na een lan­ge reis komt hij tegen de avond aan in Aram-Naha­ra­ïm, de stad van Nachor. Daar treft hij een water­put waar hij zijn kame­len laat neer­knie­len. Omdat hij weet dat de vrou­wen uit de stad rond deze tijd water komen put­ten richt hij zich tot God met de vol­gen­de woorden:

‘HEER, God van mijn mees­ter Abra­ham, als u mijn mees­ter Abra­ham gene­gen bent, laat het mij dan zo ver­gaan: Ik sta nu bij deze bron, en de meis­jes uit de stad komen hier straks water put­ten. Het meis­je dat ik vraag haar kruik van haar schou­der te nemen om mij te drin­ken te geven en dat ant­woordt: “Ga uw gang, ik zal ook uw kame­len te drin­ken geven,” laat dat het meis­je zijn dat u bestemd hebt voor uw die­naar Isaak. Als zij zo rea­geert, zal ik weten dat u mijn mees­ter gene­gen bent.’

Het is met­een raak met het eer­ste meis­je dat uit de stad komt om water te put­ten. Zij geeft de knecht te drin­ken en biedt uit zich­zelf aan om de kame­len van water te voor­zien. De knecht vraagt zich af of zij inder­daad de vrouw is die God op het oog heeft en wil weten wiens doch­ter zij is. Laat het nu heel toe­val­lig fami­lie van Abra­ham zijn. Zij is Rebek­ka, doch­ter van Betu­ël, die op zijn beurt weer de zoon is van Mil­ka en Nachor. Zoals we weten is Nachor de broer van Abra­ham. Dus Rebek­ka is de doch­ter van de neef van Isaak. Voor de vol­le­dig­heid wordt ook ver­meld dat ze knap is, maagd, en er had nog nooit een man met haar geslapen.

Rebek­ka en Eli­ë­zer bij de bron (ca.1645), Fer­di­nand Bol (1616 – 1680)

Hier­op is de knecht over­tuigd. Hij laat zich op de knie­ën val­len en prijst God die hem bij de juis­te vrouw heeft gebracht voor Isaak. Rebek­ka rent onder­tus­sen naar huis om haar moe­der te ver­tel­len wat er is voorgevallen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.