Gezocht: een vrouw voor Isaak — Genesis 24

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, ben ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begonnen.

Gene­sis 24a

Abra­ham vraagt zijn oud­ste knecht op zoek te gaan naar een vrouw voor Isaak, zijn zoon. Maar die vrouw moet wel uit het land komen dat hij lang gele­den op ver­zoek van God heeft ver­la­ten. Onder geen beding mag de knecht terug­ko­men met een vrouw die tot de Kanaä­nie­ten behoort. Over inte­gra­tie gespro­ken. Als de knecht wil weten wat hij moet doen indien hij een geschik­te vrouw heeft gevon­den in het land van her­komst van Abra­ham, maar die niet met hem mee wil naar Kanaän. Is het dan de bedoe­ling dat hij Isaak ophaalt? Nee. Abra­ham geeft aan dat Isaak niet daar­heen mag. In geen geval. 

De knecht ver­trekt en na een lan­ge reis komt hij tegen de avond aan in Aram-Naha­ra­ïm, de stad van Nachor. Daar treft hij een water­put waar hij zijn kame­len laat neer­knie­len. Omdat hij weet dat de vrou­wen uit de stad rond deze tijd water komen put­ten richt hij zich tot God met de vol­gen­de woorden:

‘HEER, God van mijn mees­ter Abra­ham, als u mijn mees­ter Abra­ham gene­gen bent, laat het mij dan zo ver­gaan: Ik sta nu bij deze bron, en de meis­jes uit de stad komen hier straks water put­ten. Het meis­je dat ik vraag haar kruik van haar schou­der te nemen om mij te drin­ken te geven en dat ant­woordt: “Ga uw gang, ik zal ook uw kame­len te drin­ken geven,” laat dat het meis­je zijn dat u bestemd hebt voor uw die­naar Isaak. Als zij zo rea­geert, zal ik weten dat u mijn mees­ter gene­gen bent.’

Het is met­een raak met het eer­ste meis­je dat uit de stad komt om water te put­ten. Zij geeft de knecht te drin­ken en biedt uit zich­zelf aan om de kame­len van water te voor­zien. De knecht vraagt zich af of zij inder­daad de vrouw is die God op het oog heeft en wil weten wiens doch­ter zij is. Laat het nu heel toe­val­lig fami­lie van Abra­ham zijn. Zij is Rebek­ka, doch­ter van Betu­ël, die op zijn beurt weer de zoon is van Mil­ka en Nachor. Zoals we weten is Nachor de broer van Abra­ham. Dus Rebek­ka is de doch­ter van de neef van Isaak. Voor de vol­le­dig­heid wordt ook ver­meld dat ze knap is, maagd, en er had nog nooit een man met haar geslapen.

Rebek­ka en Eli­ë­zer bij de bron (ca.1645), Fer­di­nand Bol (1616 – 1680)

Hier­op is de knecht over­tuigd. Hij laat zich op de knie­ën val­len en prijst God die hem bij de juis­te vrouw heeft gebracht voor Isaak. Rebek­ka rent onder­tus­sen naar huis om haar moe­der te ver­tel­len wat er is voorgevallen.


0