Isaak en Rebekka — Genesis 25

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, ben ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begonnen.

Gene­sis 25a

Het is weer tijd voor stam­boom­on­der­zoek. Eerst krij­gen we te lezen dat Abra­ham, nadat zijn vrouw Sara was over­le­den waar hij slechts één zoon bij wist te ver­wek­ken en dat ook nog door god­de­lij­ke tus­sen­komst, een ande­re vrouw nam. Deze vrouw, met de naam Ketura, baar­de hem zes zonen. Die stuur­de hij ver­vol­gens over­la­den met geschen­ken ver weg van zijn zoon Isaak. Het was Isaak aan wie hij alles na zijn dood over­liet. Samen met zijn half­broer Isma­ël begroef Isaak hun bei­der vader in de grot van Mach­pe­la, op het land van Efron waar ook Abra­hams vrouw Sara was begraven. 

Ook de nako­me­lin­gen van Isma­ël, en natuur­lijk opnieuw alleen de zonen, wor­den opge­somd. Het waren er twaalf. Alle stam­vor­sten, zo wordt bena­drukt. Dan zijn we weer terug bij Isaak en Rebek­ka. Isaak was veer­tig jaar toen hij Rebek­ka leer­de ken­nen. Hoe oud zij was wordt niet bekend gemaakt. Waar­schijn­lijk was zij een heel stuk jon­ger. Zij bleek onvrucht­baar te zijn, een terug­ke­rend the­ma bij de echt­ge­no­tes van de man­nen die door God uit­ver­ko­ren zijn om veel nage­slacht op de wereld te zet­ten. En dus moest hij weer aan de bak om dit recht te trek­ken. En hoe. Rebek­ka is met­een zwan­ger van een twee­ling. Het zijn boven­dien twee baby’s die al voor de geboor­te het flink met elkaar aan de stok heb­ben. Zij vraagt God wat hier aan de hand is.

De HEER zei tegen haar:
‘Twee vol­ken zijn er in je schoot,
vol­ken die uit­een­gaan nog voor je hebt gebaard.
Het ene zal mach­ti­ger zijn dan het ande­re,
de oud­ste zal de jong­ste dienen.’

Isaak en Rebek­ka, bekend als ‘Het Jood­se bruid­je’ (ca.1665-ca.1669), Rem­brandt van Rijn (1606–1669)