Jakob en Esau — Genesis 25

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, ben ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begonnen.

Gene­sis 25b

Als Rebek­ka bevalt van de twee­ling krijgt de eerst gebo­ren zoon de naam Esau. Jakob is de naam van de twee­de zoon. Isaak heeft op het moment dat zijn zonen gebo­ren wor­den de leef­tijd van zes­tig jaar bereikt. Opnieuw geen woord over de leef­tijd van Rebek­ka. Esau groeit op als iemand die altijd graag bui­ten is, ter­wijl Jakob lie­ver bij de ten­ten ver­blijft. Omdat Isaak graag van wild­braad houdt en Esau zich ont­wik­keld tot een goe­de jager, was Isaak erg gesteld op Esau. Jakob was de lie­ve­ling van Rebek­ka. Mooi ver­deeld zou je den­ken. Er was ech­ter blijk­baar jaloe­zie bij Jakob dat hij niet de eerst­ge­bo­re­ne was.

Op een dag komt Esau hon­ge­rig terug van een lan­ge dag jagen. Jakob is aan het koken en Esau wil aan­schui­ven om van een wel­ver­dien­de maal­tijd te genie­ten. Maar Jakob is alleen bereid om hem eten te geven als hij zijn eerst­ge­boor­te­recht ver­koopt. Esau begrijpt niet waar­om Jakob hier zo’n punt van maakt en laat zich mak­ke­lijk over­ha­len. Hij hecht er geen waar­de aan, eet zijn bord leeg en ver­trekt weer.

Jakob en Esau (?), Joa­chim Wte­wael (1566–1638)