De Amerikaanse grondwet en Genesis 26

Bij een van de proef­ten­ta­mens die ik aan het door­ne­men ben werd gevraagd een frag­ment te lezen uit een brief van Tho­mas Jef­fer­son aan James Madi­son waar­in hij wat opmer­kin­gen plaatst bij het ont­werp van de Ame­ri­kaan­se grond­wet. Hij staat onder ande­re stil bij het rou­le­ren van amb­ten, waar­on­der ook de posi­tie van de pre­si­dent valt. Zijn waar­schu­wing is dat voor­ko­men moet wor­den dat er geen limiet aan deze her­ver­kie­zin­gen zou zijn. 

If once elec­ted, and at second or third elec­ti­on out­vo­t­ed by one or two votes, he will pre­tend fal­se votes, foul play, hold pos­se­si­on of the reins of govern­ment, be sup­por­ted by the sta­tes voting for him […]

Bron: M.D. Peter­son ed., The por­ta­ble Tho­mas Jef­fer­son (New York 1975) 428–430

Jef­fer­son hecht groot belang aan het rou­le­ren van amb­ten als mid­del tegen ver­slap­ping en cor­rup­tie. Dit is van ouds­her een cru­ci­aal aspect van het repu­bli­kein­se gedach­te­goed geweest. Zeker voor de posi­tie van de pre­si­dent. Want wan­neer de pre­si­dent onbe­perkt her­ko­zen kon wor­den, zou de repu­bliek vol­gens Jef­fer­son de gedaan­te gaan aan­ne­men van een monar­chie. Zijn vrees was dat de her­ver­kie­zin­gen bedrog en riva­li­teit tus­sen de sta­ten zou­den uit­lok­ken. Boven­dien was de kans groot dat bui­ten­land­se mogend­he­den de gele­gen­heid aan­grij­pen zou­den aan­grij­pen om zich op onge­oor­loof­de wij­ze te men­gen in deze herverkiezingen.

Niets nieuws onder de zon.


Om mijn bij­bel­ken­nis wat bij te spij­ke­ren lees ik regel­ma­tig een stuk­je in dit ‘boek der boeken’.

Gene­sis 26b

Nadat Abi­me­lech en Isaak hun eed had gezwo­ren kon Isaak onbe­kom­merd ver­der leven met Rebek­ka als zijn vrouw. In de jaren die volg­den werd hij almaar rij­ker van de opbrengst van zijn land en bezat hij gaan­de­weg steed­se gro­te­re kud­den vee en veel sla­ven en sla­vin­nen. Dit zorg­de voor jaloe­zie onder de Filis­tij­nen die over­gin­gen tot het dicht­gooi­en van de put­ten die de knech­ten van Isaak gesla­gen hadden. 

Op een dag kwam Abi­me­lech langs en ver­tel­de Isaak dat het mis­schien ver­stan­di­ger was om zich ergens anders te ves­ti­gen. Isaak vol­deed aan dit ver­zoek en trok ver­der naar het dal van Gerar. Ook daar ble­ven de loka­le her­ders de put­ten van Isaak sabo­te­ren, dus trok hij door naar Ber­se­ba. Daar ver­scheen ’s nachts God, de HEER aan hem. Opnieuw werd Isaak ver­ze­kerd dat hij geze­gend was en veel nako­me­lin­gen zou krij­gen. Isaak bouw­de een altaar op die plaats en liet zijn knech­ten een put graven.

Dit alles leid­de weer tot een bezoek van Abi­me­lech. ‘Wat komt u doen?’, wil­de Isaak weten. Abi­me­lech gaf aan dat het hem nu nog dui­de­lij­ker gewor­den was dat Isaak onder de bescher­ming stond van God en dat hij een (zoveel­ste) ver­drag met Isaak wil­de slui­ten. Dat deden ze bij de nieuw gesla­gen put waar niet veel later water uit opwel­de. Isaak noem­de put Seba.

Abi­me­lech en Isaak zwe­ren een eed (detail), prent (1720–1728) naar schil­de­rij van Gerard Hoet, door Jan van Via­nen (ca.1710–1791)

Het hoofd­stuk sluit af met de ver­mel­ding dat Esau op zijn veer­tig­ste trouw­de met Jehu­dit, doch­ter van de Hethiet Beë­ri, maar ook met Base­mat, doch­ter van de Hethiet Elon. Als opmaat tot inte­res­san­te fami­li­a­le ont­wik­ke­lin­gen die ver­moe­de­lijk gaan vol­gen, wordt ver­meld dat bei­den ‘een bron van voort­du­ren­de erger­nis voor Isaak en Rebek­ka’ waren. 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.