Abimelech en Isaak zweren opnieuw een eed — Genesis 26

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, ben ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begonnen.

Gene­sis 26b

Nadat Abi­me­lech en Isaak hun eed had gezwo­ren kon Isaak onbe­kom­merd ver­der leven met Rebek­ka als zijn vrouw. In de jaren die volg­den werd hij almaar rij­ker van de opbrengst van zijn land en bezat hij gaan­de­weg steed­se gro­te­re kud­den vee en veel sla­ven en sla­vin­nen. Dit zorg­de voor jaloe­zie onder de Filis­tij­nen die over­gin­gen tot het dicht­gooi­en van de put­ten die de knech­ten van Isaak gesla­gen hadden. 

Op een dag kwam Abi­me­lech langs en ver­tel­de Isaak dat het mis­schien ver­stan­di­ger was om zich ergens anders te ves­ti­gen. Isaak vol­deed aan dit ver­zoek en trok ver­der naar het dal van Gerar. Ook daar ble­ven de loka­le her­ders de put­ten van Isaak sabo­te­ren, dus trok hij door naar Ber­se­ba. Daar ver­scheen ’s nachts God, de HEER aan hem. Opnieuw werd Isaak ver­ze­kerd dat hij geze­gend was en veel nako­me­lin­gen zou krij­gen. Isaak bouw­de een altaar op die plaats en liet zijn knech­ten een put graven.

Dit alles leid­de weer tot een bezoek van Abi­me­lech. ‘Wat komt u doen?’, wil­de Isaak weten. Abi­me­lech gaf aan dat het hem nu nog dui­de­lij­ker gewor­den was dat Isaak onder de bescher­ming stond van God en dat hij een (zoveel­ste) ver­drag met Isaak wil­de slui­ten. Dat deden ze bij de nieuw gesla­gen put waar niet veel later water uit opwel­de. Isaak noem­de put Seba.

Abi­me­lech en Isaak zwe­ren een eed (detail), prent (1720–1728) naar schil­de­rij van Gerard Hoet, door Jan van Via­nen (ca.1710–1791)

Het hoofd­stuk sluit af met de ver­mel­ding dat Esau op zijn veer­tig­ste trouw­de met Jehu­dit, doch­ter van de Hethiet Beë­ri, maar ook met Base­mat, doch­ter van de Hethiet Elon. Als opmaat tot inte­res­san­te fami­li­a­le ont­wik­ke­lin­gen die ver­moe­de­lijk gaan vol­gen, wordt ver­meld dat bei­den ‘een bron van voort­du­ren­de erger­nis voor Isaak en Rebek­ka’ waren. 


0