De blinde Isaak zegent Jakob — Genesis 27

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, ben ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begonnen.

Gene­sis 27

Tij­dens mijn ‘bij­bel­stu­die’ deze avond had ik het gevoel in een sprook­je van de gebroe­ders Grimm ver­zeild te zijn. Isaak laat op zijn oude dag Esau bij zich komen en vraagt hem een stuk wild te schie­ten, dat goed te berei­den en dan aan hem te ser­ve­ren. Daar­na zal hij Esau zege­nen. Rebek­ka, die dit gesprek gehoord had, roept haar jong­ste zoon Jakob bij zich, van wie zij meer houdt dan van Esau, en beveelt hem enke­le mak­ke bok­jes uit de kud­de te halen zodat zij die snel kan berei­den zoals haar man Isaak dat lek­ker vindt. Haar plan is dat Jakob deze maal­tijd aan Isaak moet ser­ve­ren en zich moet voor­doen als Esau, omdat Isaak toch al bij­na niet meer goed kon zien. Op deze wij­ze zou Isaak onbe­doeld niet Esau maar Jakob zegenen.

Jakob strib­belt tegen dat zijn vader daar niet in zou trap­pen, want Esau is zwaar behaard ter­wijl Jacob glad als een pas­ge­bo­ren baby is. Rebek­ka had daar al over nage­dacht en gebruikt het vel van de bok­jes om de han­den en hals van Jacob mee te bedekken. 

De blin­de Isaak zegent Jakob (1637), José de Ribe­ra (1591–1652)

En zo gaat Jakob naar zijn vader en doet zich voor als zijn oude­re broer Esau. Even lijkt het of Isaak door­heeft dat hij voor de gek wordt gehouden.

Toen zei Isaak tegen Jakob: ‘Kom eens wat dich­ter­bij, mijn zoon, zodat ik kan voe­len of je inder­daad mijn zoon Esau bent of niet.’ Jakob kwam dich­ter bij zijn vader staan en deze betast­te hem. Het is Jakobs stem, dacht hij, maar het zijn Esaus han­den. Omdat Jakobs han­den even behaard waren als die van zijn broer Esau, her­ken­de Isaak hem niet en dus zegen­de hij hem. ‘Ben je echt mijn zoon Esau?’ vroeg hij nog. ‘Ja,’ ant­woord­de Jakob. 

Nadat alle twij­fel bij Isaak weg is, zegent hij Jakob ter­wijl hij denkt Esau voor zich te heb­ben. Jakob is hier­na nog maar net ver­trok­ken of Esau dient zich aan bij zijn vader met het wild­ge­braad dat hij bereid heeft. Al snel heeft Isaak door dat hij zojuist Jakob geze­gend heeft en niet Esau. 

Toen Esau dat van zijn vader hoor­de, slaak­te hij een wil­de, wan­ho­pi­ge kreet en hij smeek­te zijn vader: ‘Zegen mij, zegen ook mij, vader!’ Maar Isaak ant­woord­de: ‘Je broer is me komen bedrie­gen en is er met jouw zegen van­door gegaan.’ Toen zei Esau: ‘Niet voor niets heet hij Jakob: hij heeft me nu al twee keer beet­ge­no­men. Eerst heeft hij me mijn eerst­ge­boor­te­recht afge­no­men en nu ook nog mijn zegen!’ Daar­na vroeg hij: ‘Hebt u dan geen zegen meer over voor mij?’ 

Helaas voor Esau gaf Isaak aan dat wat gebeurd was niet meer viel terug te draai­en en dat zijn jon­ge­re broer nu heer en mees­ter over Esau was gewor­den. Esau gaat weg en zweert wraak te nemen op zijn jon­ge­re broer zodra de kans zich voor­doet. Rebek­ka krijgt dit te horen en maant Jakob zo snel moge­lijk zijn heil elders te zoe­ken tot de woe­de bij Esau gezakt is. Tegen Isaak zegt ze dat het voor Jakob beter zou zijn als hij niet met een Hethi­ti­sche vrouw, ‘zo’n meis­je van hier’ gaat trouwen. 


Ter info: waar­schijn­lijk pak ik het dage­lijks blog­gen (inclu­sief vol­gend week­end weer op. Komen­de week richt ik me op het ten­ta­men voor Inlei­ding cul­tuur­ge­schie­de­nis 1 aan­staan­de woensdag.


0