Jakob en Rachel bij de put — Genesis 29

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, ben ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begonnen.

Gene­sis 29a

Na zijn droom ver­volgt Jakob de reis naar het land van zijn vader en moe­der waar hij hoopt een huw­ba­re vrouw te vin­den. Bij een water­put aan­ge­ko­men treft hij een groep her­ders met hun scha­pen. Het blijkt dat zij uit Cha­ran komen, de plek die Jakob als eind­doel heeft. Op de vraag of zij bekend zijn met Laban, de broer van zijn moe­der Rebek­ka ant­woor­den ze beves­ti­gend. Niet lang daar­na ziet hij een her­de­rin nade­ren, toe­val­li­ger­wijs is het Rachel, de doch­ter van Laban. Zijn nicht dus. 

Jakob rolt de steen van de put zodat het vee van zijn oom kan drin­ken en kust onder­wijl Rachel van blijd­schap waar­bij hem de tra­nen over de wan­gen rol­len. Rachel rent hier­op zo snel als ze kan naar haar vader om hem te ver­tel­len dat de zoon van zijn zus bij de put is. Laban op zijn beurt rent weer naar de put om Jakob te omhel­zen, waar­na ze samen naar het huis van Laban gaan, waar Jakob zijn hele geschie­de­nis vertelt.

Jakob en Rachel bij de put (1829), Frie­d­rich Wil­helm Mul­ler Kir­ch­dit­mold (1801–1889)
0