Jakob en de schapen van Laban — Genesis 30 (deel twee)

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, ben ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begonnen.

Gene­sis 30b

De geboor­te van Jozef is voor Jakob aan­lei­ding bij Laban langs te gaan met het ver­zoek of hij met zijn vrouw(en) en kind(eren) kan terug­ke­ren naar het land waar hij van­daan komt. Laban geeft aan dat hij hier­mee akkoord kan gaan en vraagt Jakob wat voor belo­ning deze ver­wacht, want Laban weet dat hij door God geze­gend is van­we­ge het ver­blijf van Jakob in zijn huis. Na wat gedim­dam over en weer komen ze over­een dat Jakob, omdat hij de kud­de van Laban door al zijn goe­de zor­gen flink heeft laten groei­en in omvang, er de gevlek­te gei­ten en de zwar­te scha­pen uit mag meenemen.

Nog die­zelf­de avond ech­ter laat Laban alle die­ren weg­ha­len die even­tu­eel door Jakob uit­ge­ko­zen kun­nen wor­den, en hij laat ze bui­ten bereik van Jakob opslui­ten. Opnieuw een mis­se­lij­ke streek die past in de tra­di­tie van deze fami­lie (denk aan: Laban die zijn doch­ter Lea schenkt in plaats van Rachel, en Jakob die stie­kem de plaats in neemt van Esau om zo de zegen van zijn vader te krijgen). 

Jakob geeft de scha­pen van Laban water bij de geschil­de tak­ken (1612–1622), Pedro Orren­te (1580–1645)

Wan­neer Jakob de vol­gen­de dag op stap gaat met de kud­de van Laban heeft hij al snel door dat hij is opge­licht. Wat hij ver­vol­gens doet is rede­lijk opzien­ba­rend. Van een aan­tal tak­ken die hij ver­za­meld heeft ver­wij­derd hij de bast zodat het onder­lig­gen­de wit tevoor­schijn komt, maar niet over­al. Deze gestreep­te en gestip­pel­de tak­ken legt hij bij de drink­bak­ken waar de bron­sti­ge wijf­jes bespron­gen wor­den door de gei­ten. Door­dat ze tij­dens hun parings­be­zig­heid naar de tak­ken keken zou­den ze later gevlek­te nako­me­lin­gen krij­gen. De scha­pen liet hij tij­dens het paren naar de zwar­te of gevlek­te gei­ten kij­ken om zo ook de kleur of teke­ning van het nage­slacht te beïn­vloe­den. Zo wist Jakob als­nog een flin­ke kud­den die­ren te fok­ken die hij mocht mee­ne­men in lijn met de afspraak die hij gemaakt had met Laban.