Een bever in de Linge en Genesis 31

We heb­ben geen hond. Wel twee bin­nen­huis­poe­zen. We wil­len er ooit nog wel een­tje in huis halen, maar waar­schijn­lijk pas als we iets meer tijd heb­ben. Toch doe ik momen­teel als­of we een hond heb­ben. Ik gebruik ‘m als stok ach­ter de deur als ik geen zin heb om een stuk­je te gaan wan­de­len. Zon­der hond is dat niet erg. Maar met een hond moet je er toch een keer­tje uit voor een wan­de­ling. En dat doe ik nu dus ook met die onzicht­ba­re hond.

Deze namid­dag, rond vijf uur toen mijn laat­ste vir­tu­e­le ver­ga­de­ring erop zat, trok ik mijn wan­del­schoe­nen aan (ik werk­te van­daag thuis) en nam de onzicht­ba­re mee voor een rond­je Lin­ge. Onder­weg zag ik enke­le bomen die ofwel met de bijl omge­hakt waren, ofwel door een bever omver­ge­knaagd. Zou het kun­nen? Een bever in de Lin­ge? Mis­schien ligt er bin­nen­kort wel een dam voor onze deur.

[foto uit eigen collectie]
[foto uit eigen collectie]

Een klei­ne kilo­me­ter ver­der stond een uit­kijk­stoel op hoge poten in het riet. Zo te zien al lan­ger dan van­daag, maar eer­lijk gezeg had ik dit kunst­werk nog niet eer­der opge­merkt. De bevers blijk­baar ook niet. Ten­zij het hout met beve­r­af­we­rend mate­ri­aal is behan­deld. Dat zou natuur­lijk ook kunnen.

[foto uit eigen collectie]

Om mijn bij­bel­ken­nis wat bij te spij­ke­ren lees ik regel­ma­tig een stuk­je in dit ‘boek der boeken’.

Gene­sis 31b

Als Laban het huis ver­laat om zijn scha­pen te gaan sche­ren, neemt Jakob met zijn gezin van de gele­gen­heid gebruik en ze ver­trek­ken stie­kem met een groot gevolg naar zijn vader Isaak in Kanaän. In de gau­wig­heid steelt Rachel ook nog even de goden­beeld­jes van haar vader Laban. Een zoveel­ste streek van wat bin­nen deze fami­lie niet lan­ger als een ver­ras­sing gezien mag wor­den. Want nog­maals voor de dui­de­lijk­heid, Laban is de broer van Rebek­ka, die op haar beurt de vrouw is van Isaak en de moe­der van Jakob.

Jacob trekt bij Laban weg (±1535), Cor­ne­lis Cor­ne­lisz Buys (II) (±1500-±1545/1546)

Het is pas na een paar dagen dat Laban erach­ter komt dat Jakob gevlucht is. Zon­der aar­ze­len zet Laban de ach­ter­vol­ging in. Toen hij hen bij­na had inge­haald ver­schijnt hem ’s nachts in een droom God, de HEER. Deze waar­schuwt dat hij Jakob geen stro­breed in de weg mag leg­gen. Je vraagt je af waarom.

Wan­neer Laban dan ein­de­lijk Jakob met zijn gevolg heeft inge­haald over­laadt hij hem met ver­wij­ten (waar­bij hij mis­schien gemaks­hal­ve ver­ge­ten is hoe hij zelf Jakob diver­se malen heeft bedro­gen). Maar, zo voegt hij eraan toe, omdat God zich ermee bemoeit heeft zal hij ver­der niets doen. Alleen wil hij wel weten wie zijn gods­beeld­jes heeft gesto­len en waar ze zijn. 

Jakob, die niet weet dat Rachel ze heeft ont­vreemd, geeft aan dat Laban het hele kamp mag onder­zoe­ken en als hij de beeld­jes weet te vin­den dat de dader niet in leven mag blij­ven. Laban gaat met zijn ver­wan­ten op zoek. Maar hoe goed ze hun best ook doen, ner­gens vin­den ze beeld­jes. Wan­neer ze als laat­ste bij de tent van Rachel komen heeft die inmid­dels de beeld­jes ver­stopt in een kameel­za­del waar­op ze blijft zit­ten, omdat ze veinst onge­steld te zijn, ter­wijl haar vader alles over­hoop haalt. Ook nu weer tevergeefs.

Rachel ver­stopt de goden­beeld­jes (1726–1728), Gio­van­ni Bat­ti­s­ta Tie­po­lo (1696–1770)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.