Tentamenvoorbereiding en Genesis 32

Inmid­dels ben ik begon­nen met Inlei­ding filo­so­fie 2. Het ten­ta­men van deel 1 heb ik onlangs in Nij­me­gen afge­legd. Voor de uit­slag ben ik nog in ban­ge afwach­ting. Mijn voor­be­rei­ding was niet gewel­dig van­we­ge twee­maal een onder­bre­king voor een trip­je naar Cluj. Het waren dit­maal ook geen meer­keu­ze vra­gen, die me nor­maal gespro­ken rede­lijk goed afgaan. Nu moesten we vijf open vra­gen beant­woor­den en een kor­te samen­vat­ting van een filo­so­fi­sche tekst (in dit geval een­tje van David Hume) schrij­ven. Het ant­woord­mo­del heb ik intus­sen door kun­nen nemen, en met heel veel geluk zal ik mis­schien een nip­te vol­doen­de weten te sco­ren, maar dan moet ook wel alles mee­zit­ten. We gaan het zien.

In de dagen voor­af­gaan­de aan het ten­ta­men, toen ik in ver­sneld tem­po de stof aan het door­ne­men was van de ver­schil­len­de filo­so­fen die aan bod zou­den komen las ik ’s avonds voor­dat ik ging sla­pen in het laat­ste hoofd­stuk van Anna Kare­ni­na. Zoals ik al eens eer­der heb aan­ge­ge­ven gaat het in dit dik­ke boek niet hoofd­za­ke­lijk over Anna. En een van de ver­haal­lij­nen heeft als hoofd­per­soon Lewin, die getrouwd is met de jon­ge­re zus van de vrouw van de broer van Anna. Lang gele­den was Lewins vrouw ver­liefd op graaf Wron­ski, die uit­ein­de­lijk valt voor de char­mes van Anna. In het voor­laat­ste hoofd­stuk krij­gen we te lezen hoe Anna ver­gaat (spoi­ler: tra­gisch). Daar­na zijn we twee maan­den ver­der en zien we hoe het leven zich ver­der ont­rolt, waar­bij de focus op Lewin ligt die wor­stelt met de zin van het leven. Bij de vol­gen­de pas­sa­ge aan­ge­ko­men moest ik natuur­lijk met­een den­ken aan mijn eigen wor­ste­ling met de ten­ta­men­stof die ik pro­beer­de op ouder­wet­se manier in mijn geheu­gen te stampen:

Hij las en dacht, en hoe meer hij las en nadacht, hoe ver­der hij zich van zijn doel ver­wij­derd voel­de. […] Wan­neer hij de lan­ge defi­ni­ties volg­de van ondui­de­lij­ke begrip­pen als geest, wil, vrij­heid, sub­stan­tie en zich opzet­te­lijk ver­loor in dat dool­hof van woor­den, waar­in de filo­so­fen hem bin­nen­leid­den of dat hij zich­zelf schiep, had hij het gevoel, dat hij iets begon te begrij­pen. Maar hij behoef­de deze kun­sti­ge gedach­ten­gang maar te ver­ge­ten en dan van uit het wer­ke­lij­ke leven terug te keren naar het­geen hem bevre­digd had, toen hij met zijn gedach­ten de gege­ven draad volg­de, of plot­se­ling stort­te heel dit kun­sti­ge bouw­werk als een kaar­ten­huis ineen […]

Anna Kare­ni­na, p.905–906

Om mijn bij­bel­ken­nis wat bij te spij­ke­ren lees ik regel­ma­tig een stuk­je in dit ‘boek der boeken’.

Gene­sis 32

Nadat Laban en Jakob een over­een­komst heb­ben geslo­ten ver­trekt Laban de och­tend erna terug naar huis. Jakob trekt ook ver­der met zijn gevolg rich­ting huis, maar dan de ande­re kant op. Hij maakt zich zor­gen of zijn broer Esau nog steeds ran­cu­neus is van­we­ge de mis­lei­ding aan het bed bij hun vader Isaak. Hier­door ver­kreeg Jakob de zegen van Isaak, en niet de oud­ste broer Esau. Mis­schien is Esau na al die jaren het voor­val niet ver­ge­ten en op wraak uit zodra hij hoort van de terug­keer van Jakob. Wan­neer Jakob een bode naar Esau stuurt om zijn komst aan te kon­di­gen en het ant­woord van Esau is dat hij Jakob tege­moet zal rij­den met vier­hon­derd man, stelt dat Jakob niet echt gerust.

Hij besluit om zijn gevolg te split­sen in twee kam­pen, zodat wan­neer Esau besluit hem aan te val­len in ieder geval de helft zal weten te onst­nap­pen. Ver­der ver­za­melt hij een groot aan­tal die­ren dat een eind voor­uit zal rij­den en dient als geschenk voor Esau om hem van gedach­ten te doen ver­an­de­ren in het geval hij kwa­de plan­nen heeft. De knech­ten die met de kud­de voor­uit rij­den drukt hij op het hart Esau dui­de­lijk te maken dat hij hem als zijn heer beschouwt, ondanks de eed van hun vader die eigen­lijk afdwingt dat Esau de knecht is van Jakob.

In de vroe­ge och­tend van de dag dat ze waar­schijn­lijk Esau zul­len ont­moe­ten helpt Jakob zijn gevolg met het over­ste­ken van de rivier Jab­bok. Er is dan een vreem­de over­gang in het ver­haal, want van de ene op de ande­re zin is hij plots in gevecht met ‘een ander’:

Maar zelf bleef hij ach­ter, hele­maal alleen, en er wor­stel­de iemand met hem tot­dat de dag aan­brak. Toen de ander zag dat hij het niet van hem kon win­nen, raak­te hij Jakobs heup aan, en daar­door raak­te Jakobs heup tij­dens die wor­ste­ling ont­wricht. Toen zei de ander: ‘Laat mij gaan, het wordt al dag.’ Maar Jakob zei: ‘Ik laat u niet gaan ten­zij u mij zegent.’ 

Gene­sis 32, 12–32
[bron onbe­kend]

De ander blijkt een engel (of God?) te zijn, en deze vraagt hem hoe hij heet. Ver­vol­gens krijgt Jakob te horen dat zijn naam voort­aan Isra­ël zal zijn, ‘want je hebt met God en men­sen gestre­den en je hebt gewon­nen’. Daar­na zegent de ander Jakob/Israël. Jakob noemt de plaats Peni­ël omdat hij daar oog in oog heeft gestaan met God en in leven is gebleven.

Als laat­ste volgt er nog een weetje:

Jakob liep mank. Omdat de ander hem had aan­ge­raakt bij de spier die boven het heup­ge­wricht ligt, eten de Isra­ë­lie­ten de heup­spier niet, tot op de dag van vandaag.

Gene­sis 32, 33

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.