Een zware last en Genesis 33

Als je het een­maal ziet, zie je het over­al. Eer­gis­te­ren schreef ik over een voor­beeld dat ik door het regel­ma­tig lezen in de bij­bel nu vaker ver­wij­zin­gen her­ken. Van­daag las ik opnieuw een ver­wij­zing die ik nor­maal gespro­ken niet met­een als zoda­nig zou heb­ben herkend.

[…] she has often won­de­red why human fema­les so fre­quent­ly die in child­birth, but now she has dis­co­ver­ed it’s becau­se their hips are so small and the babies’ heads so dis­pro­por­ti­o­na­te­ly lar­ge, and why god would not make the human beast so unfit for bir­thing is a mys­tery. Or per­haps not, she sighs, I will mul­ti­ply thy sor­rows, and thy con­cep­ti­ons: in sor­row shalt thou bring forth children.

Matrix — Lau­ren Groff, p.169

Het gaat hier natuur­lijk om dat laat­ste stuk­je ‘I will mul­ti­ply …’. Dit is de vloek uit­ge­spro­ken door God omdat Eva de ver­lei­ding in het para­dijs niet kon weer­staan om een vrucht te eten van de boom der ken­nis. Tja, ik vind het nog steeds een geval­le­tje van de kat op het spek bin­den. Maar de gevol­gen zijn er niet min­der door. God roept her­haal­de­lijk de man­nen die hij uit­ver­ko­ren heeft op om te zor­gen voor een groot nage­slacht, maar heeft er wel (indi­rect?) voor gezorgd dat dit de meest pijn­lij­ke erva­ring voor een vrouw zal zijn:

Tegen de vrouw zei hij:
‘Je zwan­ger­schap maak ik tot een zwa­re last,
zwoe­gen zul je als je baart.
Je zult je man bege­ren,
en hij zal over je heersen.

Gene­sis 3, 4–16

Hal­le­lu­jah.


Om mijn bij­bel­ken­nis wat bij te spij­ke­ren lees ik regel­ma­tig een stuk­je in dit ‘boek der boeken’.

Gene­sis 33

Na zijn gevecht met ‘de ander’ wat hem een blij­ven­de bles­su­re aan zijn heup ople­vert, maakt Jakob zich op voor de ont­moe­ting met zijn broer Esau. Niet meer bevreesd loopt hij nu voor­aan zijn gevolg en bij het zien van zijn broer buigt hij zeven­maal diep voor hem. Esau, die ver­re van wraak­zuch­tig is omhelst Jakob en bei­den laten hun tra­nen de vrije loop. Het is een emo­ti­o­neel tref­fen. Wan­neer ze bei­den weer wat bij zin­nen zijn, vraagt Esau wat de bedoe­ling is van de kud­de die­ren die hij onder­weg tegen­ge­ko­men is. Bij het ver­ne­men dat dit een geschenk voor hem is wil hij daar niets van weten, alleen na lang aan­drin­gen door Jakob stemt hij ermee in. Esau wil Jakob ver­der ver­ge­zel­len op hun reis huis­waarts, maar Jakob geeft aan dat dit niet nodig is. De aan­we­zi­ge kin­de­ren in zijn gevolg en het ove­ri­ge vee belet­ten hem snel te rei­zen. Ook het aan­bod van Esau om dan wat man­nen bij hem ach­ter te laten wordt door Jakob afgeslgen. 

Hier­na ver­trekt Esau terug naar Seir maar Jakob reist ver­vol­gens naar Suk­kot waar hij een huis bouwt. Wat voor mij weer een vreem­de wen­ding in het ver­haal is, net als het laat­ste gedeel­te van dit hoofd­stuk. Want hier­in wordt aan­ge­ge­ven dat Jakob op zijn tocht van­uit Pad­dan-Aram ook in Sichem was. Het is voor mij niet dui­de­lijk of dit al eer­der is voor­ge­val­len. Hoe dan ook, Sichem blijkt een stad in Kanaän te zijn waar Jakob en zijn gevolg ten oos­ten ervan hun ten­ten opsloe­gen. Op dit stuk land, wat Jakob gekocht heeft, wordt een altaar gebouwd.

Ont­moe­ting van Jakob en Esau (1620s), Frans Fran­c­ken II (1581–1642)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.