De dood van Rachel — Genesis 35

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, ben ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begonnen.

Gene­sis 35

Het is God die Jakob een uit­weg biedt nadat zijn zonen de fami­lie van Cha­mor om het leven heb­ben gebracht. Hij krijgt opdracht zijn spul­len bij elkaar te pak­ken en de reis te aan­vaar­den naar Betel alwaar hij een altaar voor God dient te bou­wen omdat God op die plek voor het eerst aan hem was ver­sche­nen. Jakob laat zijn gevolg alle afgo­den­beeld­jes ver­za­me­len en begra­ven voor­dat ze op weg gaan rich­ting Betel. God jaagt de inwo­ners van het gebied waar ze door­heen trek­ken zoveel schrik aan dat ze het niet wagen hen te achtervolgen. 

Op de plaats van bestem­ming aan­ge­ko­men bouwt Jakob het altaar door een steen recht­op te zet­ten en het te wij­den door er een wijn­of­fer op te bren­gen en olie over uit te gie­ten. God ver­schijnt opnieuw aan hem en net als eer­der (in Gene­sis 32) wordt hem ver­telt dat hij voort­aan als Isra­ël door het leven zal gaan en dat zijn nage­slacht zal uit­groei­en tot een groot volk waar vele konin­gen uit zul­len voortkomen.

Hier­na trekt de stoet ver­der naar Efrat. Onder­weg moet Rachel beval­len van haar twee­de zoon (de eer­ste zoon was Jozef). Deze beval­ling ver­loopt tra­gisch. Rachel over­leeft het niet. Zij is nog wel in staat haar zoon de naam Ben-Oni te geven, maar Jakob noemt hem Ben­ja­min. Rachel wordt begra­ven langs de weg naar Efrat, het hui­di­ge Bet­le­hem. Op haar graf wordt een gedenk­steen geplaatst.

De dood van Rachel (1847), Gustav Metz (1816–1853)

Aan het eind van dit hoofd­stuk arri­veert Jakob in Mam­re, waar hij zijn vader Isaak weer ont­moet. Die wordt uit­ein­de­lijk hon­derdtach­tig jaar en na zijn dood begra­ven door Esau en Jakob.


0