21520 — slow reading

Genesis 48

Jakob aka Isra­ël is ziek. Jozef gaat met zijn twee zonen, Manas­se en Efra­ïm bij hem op bezoek. Jakob grijpt deze gele­gen­heid aan om op zijn oude dag de twee zonen van Jozef te zege­nen. Voor­dat het zover is ver­teld hij Jozef dat zijn twee zonen door Jakob beschouwd wor­den als zijn eigen zonen en gelijk­ge­steld wor­den aan Ruben en Sime­on. Indien Jozef nog meer zonen krijgt dan zul­len die als de kin­de­ren van Jozef wor­den beschouwd. Dan is het tijd om de Manas­se en Efra­ïm te zege­nen.

Vol­gens gebruik zou Jakob zijn rech­ter­hand op de oud­ste zoon van Jozef, in dit geval Manas­se moe­ten leg­gen. Om het Jakob mak­ke­lijk te maken plaatst Jozef zijn zoon Manas­se daar­om links van hem. Jakob kruist ech­ter zijn armen en legt zijn rech­ter­hand op het hoofd van Efra­ïm. Wan­neer Jozef deze ver­gis­sing van Jakob, ver­moe­de­lijk omdat zijn vader al tij­den lang niet meer goed kon zien, wil cor­ri­ge­ren door zijn hand te pak­ken om die te ver­plaat­sen geeft Jakob aan dat hij zich niet ver­gist heeft.

‘Niet zo, vader! zei Jozef. ‘Dit is de oud­ste, u moet uw rech­ter­hand op zijn hoofd leg­gen.’ Maar zijn vader wil­de dat niet. ‘Ik weet het, mijn zoon,’ zei hij, ‘ik weet het. Ook uit hem zal een volk voort­ko­men, ook hij zal mach­tig wor­den. Maar zijn jon­ge­re broer zal mach­ti­ger wor­den dan hij, en uit hem zul­len tal van vol­ken voort­ko­men.’ […] Zo plaatste hij Efra­ïm vóór Manas­se.

Gene­sis-48: 20–22
Jakob zegent Efra­ïm en Manas­se — Chris­tof­fel van Sichem (II)

Omdat ik tij­dens de stu­die Alge­me­ne cul­tuur­we­ten­schap­pen regel­ma­tig merk dat eni­ge bij­bel­ken­nis wel han­dig is, ben ik maar weer eens met dit ‘boek der boe­ken’ begon­nen.

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.