22764 — vrijdag

Categorie:

Dit jaar heb ik weer een muse­um­jaar­kaart aan­ge­schaft. In het kader van goe­de voor­ne­mens om regel­ma­tig te blij­ven hard­lo­pen, meer te gaan lezen en ook mezelf regel­ma­tig te ver­wen­nen door een dag vrij­af te nemen om een muse­um te bezoe­ken. Van­daag was het zover en koos ik voor muse­um More in Gors­sel.

Waar­om nu juist dit muse­um?

Na het over­ma­ken van het ver­schul­dig­de bedrag voor de muse­um­jaar­kaart kreeg ik een wel­komst­mail met onder ande­re een over­zicht van tij­de­lij­ke ten­toon­stel­lin­gen die bin­nen­kort aflo­pen. Wat me met­een aan­trok was een ten­toon­stel­ling geti­teld Euro­pean Rea­li­ties | Schil­der­kunst 1919–1939. Toen ik niet zolang gele­den de stu­die Cul­tuur­we­ten­schap­pen volg­de aan de Open Uni­ver­si­teit stond dit tijd­vak in het eer­ste jaar cen­traal en bij de modu­le kunst­ge­schie­de­nis had ik een aan­tal bij­zon­de­re schil­de­rij­en voor­bij zien komen. Omdat van­we­ge de lock­down muse­um­be­zoek uit den boze was vond ik het nu wel een mooie gele­gen­heid om dat goed te maken.

Het muse­um gaat om 10 uur open en samen met twee ande­re wach­ten­den waren wij de eer­ste bezoe­kers van de dag. We wer­den vrien­de­lijk wel­kom gehe­ten door het per­so­neel bij de recep­tie, hin­gen onze jas­sen op in de gar­de­ro­be en lie­pen de trap op naar de eer­ste ver­die­ping waar deze tij­de­lij­ke ten­toon­stel­ling gehuis­vest was.

Daar namen de twee vrou­wen die los van elkaar hier naar­toe waren gereisd plaats op een bank­je in de eer­ste zaal om een kor­te docu­men­tai­re over het tijds­vak te vol­gen. Zelf maak­te ik een wan­de­ling door alle zalen om gevoel te krij­gen hoe­veel schil­de­rij­en er hin­gen en hoe een en ander was inge­deeld. Toen ik weer terug bij af was, begon ik opnieuw maar nu bekeek ik elk schil­de­rij aan­dach­tig en las de infor­ma­tie die erbij ver­meld stond.

De zalen waren zoals ik het kon zien inge­deeld vol­gens bepaal­de thema’s die in de peri­o­de 1919–1939 nieuw of onder­schei­dend waren in hoe ze ver­werkt wer­den in de kunst:

  • Oor­log en vre­de
  • Nieuw mens­beeld
  • Intie­me bin­nen­we­reld
  • Moder­ne bui­ten­we­reld
  • Soci­aal-poli­tie kunst

Gro­te pane­len gaven een uit­leg bij elk the­ma:

Het eer­ste uur bleef het rede­lijk rus­tig en kon ik op m’n gemak de schil­de­rij­en van dicht­bij en ver­af bekij­ken zon­der dat ik ande­re bezoe­kers voor de voe­ten liep of dat ze mij in het zicht ston­den. Veel schil­de­rij­en zaten niet ach­ter glas en er was ook geen reling of iets der­ge­lijks aan­ge­bracht zodat je elk schil­de­rij tot in detail kon bestu­de­ren. Zo was goed te zien bij het schil­de­rij ‘Tegen de avond, San Remo’ uit 1927 van Acke Hall­g­ren (1885–1940) hoe er in de muur van het gebouw aan de lin­ker­kant op de eer­ste ver­die­ping een ven­ster is geschetst wat ver­der niet is uit­ge­werkt.

Zoals gezegd had ik enke­le schil­de­rij­en die ik van­daag zag eer­der als afbeel­ding voor­bij zien komen tij­dens mijn stu­die, maar het is elke keer weer een ver­ras­sing dat som­mi­ge schil­de­rij­en in het echt veel gro­ter of klei­ner zijn dan hoe je zelf voor­ge­steld hebt. Er staan in een stu­die­boek dan wel altijd de afme­tin­gen bij, maar daar ben ik dan vaak geneigd over­heen te lezen, of het dringt niet vol­doen­de tot me door. Als je ze dan naast elkaar ziet han­gen valt het des te meer op hoe ver­schil­lend van afme­ting ze zijn, en ook veel min­der lij­ken op de afbeel­din­gen in een boek (hoe vreemd dat ook mag klin­ken). Dat heeft ook te maken met de belich­ting en/of de licht­val in het muse­um waar­door de kleu­ren anders erva­ren wor­den.

Nadat ik zo’n twee uur had rond­ge­lo­pen en het almaar druk­ker werd vond ik het genoeg geweest. Heel even keek ik bene­den bij de vas­te ten­toon­stel­ling om een indruk te krij­gen of het de moei­te waard zou zijn nog een keer terug te komen. En dat is het. Dus het blijft zeker niet bij dit eer­ste bezoek aan muse­um More in Gors­sel.

~ ~ ~

Er waren een aan­tal schil­de­rij­en die er voor mij van­daag echt uit­spron­gen en waar ik veel lan­ger bij bleef staan kij­ken en waar ik ook weer naar terug­ging zon­der dat ik altijd pre­cies kon dui­den waar­om ze me zo fas­ci­neer­den. Waar­schijn­lijk heeft het ermee te maken dat het alweer gerui­me tijd gele­den was dat ik in een muse­um ben geweest. Het voel­de op een bepaal­de manier over­wel­di­gend. Ik denk dat als ik wat vaker ga een meer neu­tra­le hou­ding kan aan­ne­men en een per­soon­lij­ke smaak kan ont­wik­ke­len. Nu vond ik bij­na alles gewel­dig.

In wil­le­keu­ri­ge volg­or­de vol­gen hier­on­der de schil­de­rij­en die ik meer dan é´en keer heb beke­ken, zon­der daar­mee de ande­re schil­de­rij­en tekort te wil­len doen (bij voor­baat excu­ses voor de ‘sche­ve’ foto’s; het viel nog niet mee fat­soen­lij­ke foto’s te maken zelfs wan­neer je er alle ruim­te voor kreeg):

Rustende schoorsteenveger, 1936 — Pyke Koch (1901–1991)
30 x 52 cm

Op de een of ande­re manier leek het wel of dit don­ke­re schil­de­rij in de ver­der hel­der ver­lich­te zaal alle aan­dacht naar zich toe trok. Ook toen ik voor de twee­de keer de zaal bin­nen­liep ging ik aller­eerst naar dit schil­de­rij toe. Wat me in eer­ste instan­tie voor­al opviel waren al die plooi­en in de kle­ren van de schoor­steen­ve­ger. Vreemd genoeg was mijn eer­ste bele­ving dat het hele schil­de­rij erg don­ker was, maar dat is het eigen­lijk hele­maal niet. Er is de don­ke­re scha­duw op het tuin­hek en links­on­der over het groe­ne gebla­der­te, maar de schoor­steen­ve­ger zelf wordt hele­maal uit­ge­licht. Het komt denk ik door de over­we­gend don­ker­grij­ze kleu­ren die gebruikt wor­den. Mooi is dan weer hoe de han­den en het gezicht er zo uit­sprin­gen qua kleur. En onder­aan dat klei­ne oran­je bloe­me­tje is bij­na van een ont­roe­ren­de schoon­heid.

Marguerite Kelsey, 1928 — Meredith Frampton (1894–1984)
120,8 x 141,2 cm

Naar dit schil­de­rij van Mere­dith Framp­ton ben ik een paar keer terug­ge­gaan. Eer­lijk gezegd weet ik niet waar­om. Mis­schien is het de blik in het gezicht van deze Mar­gu­e­ri­te Kel­sey (een pro­fes­si­o­neel model voor schil­ders) waar­uit een soort van droef­heid spreekt (zo ervaar­de ik het althans) die ik er iede­re keer in meen­de te zien maar tege­lij­ker­tijd ook weer tel­kens ver­dween als ik bleef kij­ken. Ver­der vind ik de kleu­ren­com­bi­na­tie van het hele schil­de­rij heel mooi in balans en de gebruik­te schil­der­tech­niek waan­zin­nig knap.

Oefenveld, 1926 — Franz Sedlacek (1891–1945)
26,5 x 23,3 cm

Een voor­beeld van een klein schil­de­rij dat ik veel gro­ter had gedacht was dit ‘Oefen­veld’. Hoe lan­ger ik ernaar keek, hoe vro­lij­ker ik werd van alle die pop­pe­tjes op de lan­ge lat­ten. Wat ik mooi vond is dat bij het inzoo­men al die klei­ne mens­jes steeds meer mens wer­den in hun cha­o­ti­sche pogin­gen over­eind te blij­ven, ter­wijl bij het meer afstand nemen het schil­de­rij iets abstracts kreeg en de ski­ërs steeds meer opgin­gen in een geraf­fi­neerd lij­nen­spel.

Beton, 1924 — Karl Völker (1889–1962)
84,5 x 100 cm

In dezelf­de zaal hing een schil­de­rij waar ik ook een ver­schil­lend gevoel kreeg naar­ge­lang ik er dich­ter of ver­der van­af stond. Zon­der dat ik kan uit­leg­gen waar­om werd ik erg rus­tig van het lij­nen­spel bij ‘Beton’. De ron­de rech­te schoor­steen met nau­we­lijks zicht­ba­re rook breekt op een sub­tie­le manier met voor de rest alleen maar strak­ke lij­nen.

De Zeppelin, 1933 — Carel Willink (1900–1983)
75 x 100 cm

Bij het schil­de­rij ‘De Zep­pe­lin’ van Carel Wil­link had ik dub­be­le gevoe­lens. Er hangt een sfeer van drei­ging met dat gro­te ano­nie­me voor­werp in de lucht en dan dat klei­ne groep­je zwaai­en­de men­sen in een ver­der ver­la­ten straat. Is het een vorm van wel­kom of eer­der dat ze graag zien dat het toe­stel snel ver­der gaat? En waar­om zijn er niet veel meer men­sen in de straat? Ik heb er lang naar staan kij­ken maar hoe lan­ger ik keek hoe meer het onder mijn huid kroop. Heel apart.

Rekwisitie, 1929 — Krsto Hegedušić (1901–1975)
146 x 115 cm

Dan als laat­ste het schil­de­rij ‘Rekwi­si­tie’ van Krs­to Hege­dušić wat me deed den­ken aan de schil­de­rij­en van Pie­ter Brue­gel of Jeroen Bosch. Wat bleef han­gen is de gro­te tra­giek van al die ver­schil­len­de scè­nes die zich tege­lij­ker­tijd afspe­len; de hui­len­de vrouw links­on­der, de koe die weg­ge­haald wordt rechts­on­der en waar­bij de eige­naar klap­pen krijgt, de publie­ke afran­se­ling die een man op z’n blo­te bil­len krijgt in het mid­den en dan rechts­bo­ven een kar die weg­rijdt met daar­op een aan­tal licha­men. De titel geeft aan dat we hier te maken heb­ben met het vor­de­ren van zaken door de over­heid, maar dat het met dit geweld gepaard gaat is veel­zeg­gend hoe de bevol­king onder­drukt wordt. Wat me aan­sprak is dat door de over­we­gend hel­de­re, vro­lij­ke kleu­ren niet met­een dui­de­lijk is dat het hier om een gru­we­lijk tafe­reel gaat. Dat doet het hier­door har­der bin­nen­ko­men als je het een­maal ziet.

~ ~ ~

De ten­toon­stel­ling loopt nog tot en met 1 febru­a­ri, dus wees snel mocht je een bezoek wil­len plan­nen. Alle schil­de­rij­en zijn in bruik­leen en gaan weer terug naar het muse­um in Chem­nitz.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.